skip to Main Content

Opdrachtgevers kunnen gebruik maken van onze helpdesk. Stel jouw vraag via het onderstaande formulier.

Veelgestelde vragen Ioaz

De in deze lijst opgenomen vragen en antwoorden kunnen worden gebruikt als hulpmiddel bij de advisering en toepassing van het Ioaz. De vragen en antwoorden moeten worden gezien als een nadere uitleg of interpretatie van regelgeving, veelal voortgekomen uit praktijksituaties. Er is dus geen sprake van ‘aanvullende regelgeving’, hetgeen inhoudt dat er in de uitvoerings‐ of adviespraktijk niet naar kan worden verwezen.

De vragen en antwoorden zijn gerangschikt op artikelnummer. Rubricering is gebruikt om onderscheid te maken tussen thema’s binnen een bepaald wetsartikel.

Artikelnummer 2 - ‘Bloot’ eigenaar

Kan de Ioaz van toepassing zijn op de aanvrager die alleen ‘bloot’ eigenaar is van de onroerende zaak en alle werkzaamheden op het bedrijf van zijn niet meer meewerkende ouders alleen verricht en de boekhouding niet op zijn naam staat?

In het geval een persoon voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het (gedeeltelijk) eigen bedrijf of beroep, in wezen de volledige zeggenschap uitoefent en zeker op langere termijn de financiële risico’s van het bedrijf draagt is er eigenlijk sprake van een maatschap en kan de Ioaz worden toegepast. Dit temeer omdat de betrokkene niet als werknemer beschouwd kan worden daar er geen sprake is van een gezagsverhouding en de betrokkene niet verzekerd is in het kader van de werknemersverzekeringen.

Artikelnummer 2 - Negatief vermogen en negatief inkomen

Kan iemand met een negatief vermogen en een negatief inkomen toch zelfstandige in de zin van de Ioaz zijn?

Ja. In de tekst van de Ioaz is nergens een zodanige uitsluitingsgrond opgenomen. Bepalend is dat wordt voldaan aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek in het jaar vóór de aanvraag c.q. vóór de arbeidsongeschiktheid en verder aan de 10 jareneis van het arbeidsverleden. De Ioaz behelst immers een inkomensvoorziening voor gewezen zelfstandigen met een langdurig arbeidsverleden die hun bedrijf noodgedwongen hebben moeten beëindigen.

Artikelnummer 2 - Weduwe zet bedrijf voort

Een weduwe heeft na het overlijden van haar echtgenoot het bedrijf voortgezet en ontvangt een ANW-uitkering. Zij wil het bedrijf nu beëindigen. Komt zij in aanmerking voor Ioaz?

In beginsel wel, zij het dat zij zelf moet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden van de Ioaz. Zij moet medewerkend echtgenoot zijn geweest, tenzij zij dit bedrijf al 10 jaar heeft uitgeoefend. Verder wordt de ANW-uitkering betrokken in de inkomenstoets, zowel vooraf als na beëindiging wat tot gevolg zal hebben dat er in de regel geen uitkering Ioaz kan worden verstrekt (de ANW-uitkering wordt ten volle gekort, zie Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten artikel 2:4 artikel 1 sub j (voorheen artikel 4 Inkomensbesluit Ioaz jo. artikel 7, eerste lid, Inkomensbesluit Ioaw)).

Artikelnummer 2 - Leeftijd en moment van indienen aanvraag

Een 54 jarige dient een Ioaz-aanvraag in. Kan deze in behandeling worden genomen c.q. kan hem het recht op Ioaz worden toegekend op het moment dat de aanvrager 55 jaar wordt of moet aanvrager eerst 55 jaar zijn om een aanvraag in te kunnen dienen?

De leeftijdsgrens van 55 jaar geldt uitsluitend ten aanzien van het tijdstip van bedrijfsbeëindiging en niet ten aanzien van het aanvraagmoment (artikel 2, lid 1). Een aanvraag kan daarom ook op jongere leeftijd ingediend worden waarbij de periode tot 55 jaar wel minder moet zijn dan de termijn van 1½ jaar (artikel 5, tweede lid, ten 4e, Ioaz) waarbinnen het bedrijf daarna moet worden beëindigd. Als dan het bedrijf echter vóór de 55-jarige leeftijd wordt beëindigd vervalt het Ioaz-recht.

Artikelnummer 2 - Man-vrouw-firma

Kan de vrouw, die i.v.m. een a.s. echtscheiding uit een man-vrouw-firma wil stappen, aanspraak maken op Ioaz-uitkering wanneer men gezamenlijk de laatste 3 jaar gemiddeld niet meer heeft verdiend dan stel inkomen uit bedrijf € 28.000. Per vennoot, dus man en vrouw ieder afzonderlijk € 14.000. Grens Ioaz stel € 24.540.

Artikel 5, lid 2 spreekt over het inkomen uit of i.v.m. arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige. Volgens artikel 2 lid 2 wordt met gewezen zelfstandige de meewerkende echtgenoot/partner gelijkgesteld. O.g.v. het gestelde in het Inkomensbesluit, art. 3, lid 3 waar geregeld is wat men onder inkomen uit of i.v.m. arbeid wordt verstaan zal men zo lang men nog niet gescheiden is en een gezamenlijke huishouding voert beider gezamenlijk inkomen moeten toetsen aan de Ioaz-norm. De vrouw zal dus in deze situatie geen zelfstandig recht op Ioaz kunnen krijgen.

Artikelnummer 2 - Overlijden zelfstandige

X is meewerkende echtgenoot/partner in de zin van de Ioaz. In verband met haar leeftijd/arbeidsongeschiktheid vraagt zij Ioaz aan. Anders dan haar man Y voldoet zij aan alle voorwaarden. Het bedrijf wordt beëindigd. Een jaar of wat later overlijdt X. Welke gevolgen heeft dit voor Y ten aanzien van de Ioaz-uitkering?

In geval van overlijden van de gewezen zelfstandige X vervalt de uitkering. Mijnheer Y heeft slechts een afgeleid recht. Hij krijgt de uitkering op grond van artikel 23, tweede lid, Ioaz, nog 1 maand doorbetaald op basis van de voordien vastgestelde grondslag. Na een maand kan derhalve bij onvoldoende bestaansmiddelen eventueel een beroep worden gedaan op de Algemene nabestaanden wet (ANW) dan wel de bijstand. N.B. Indien zowel de zelfstandige als de meewerkende echtgenoot voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van de Ioaz zijn zij beiden als gewezen zelfstandige aan te merken en hebben zij ieder afzonderlijk recht op een Ioaz-uitkering. Artikel 3.78, Wet IB 2001, stelt dat de meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. De meewerkend partner moet tenminste 525 uur per kalenderjaar werken in de onderneming.

Artikelnummer 2 - Urencriterium

Kan de Ioaz van toepassing zijn indien de aanvrager op het eigen bedrijf werkzaam is, maar als gevolg van de geringe bedrijfsomvang minder dan 1225 uren op het bedrijf werkt en daarom geen zelfstandigenaftrek wordt toegepast?

Indien de zelfstandige als gevolg van de geringe bedrijfsomvang minder dan 1225 uren werkzaam is waardoor geen zelfstandigenaftrek wordt toegepast, wordt niet aan de toetredingseisen van de Ioaz voldaan en is geen Ioaz-uitkering mogelijk.

Artikelnummer 2 - Urencriterium en meewerkaftrek

In artikel 2, lid 2, Ioaz, is aangegeven dat met de gewezen zelfstandige wordt gelijkgesteld de meewerkende partner in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Komt deze partner in aanmerking voor de Ioaz indien de partner op zich aan het urencriterium voor de meewerkaftrek voldoet (minstens 525 uur) maar het aantal gewerkte uren van de gewezen zelfstandige minder dan 1225 uur per kalenderjaar is en daarmee beneden de grens voor de zelfstandigenaftrek blijft?

Nee, op grond van artikel 3.78 van de Wet IB 2001 dient de zelfstandige te voldoen aan het urencriterium wil hij in aanmerking komen voor de meewerkaftrek van zijn partner.

Artikelnummer 2 - Commanditaire vennoot

Kan een commanditaire of stille vennoot ook in aanmerking komen voor de Ioaz?

Nee, de stille vennoot kan geen aanspraak maken op een Ioaz-uitkering vanwege het feit dat geen arbeid in het bedrijf wordt verricht respectievelijk niet wordt gedeeld in de zeggenschap van het bedrijf.

Artikelnummer 2 - Bestendige winstverdeling

Hoewel in de maatschapsakte is vastgelegd dat de winstverdeling 50%-50% zal zijn, komt het soms voor dat uit de boekhouding een winstverdeling van 20% voor de vader en 80% voor de zoon blijkt. Hierdoor komt het inkomen van de oudste maat beneden de inkomensgrens van de Ioaz. Moet deze in de praktijk gegroeide winstverdeling worden geaccepteerd bij de beoordeling van de Ioaz-aanvraag?

Bij de beoordeling van de Ioaz-aanvraag dient te worden nagegaan of bij de winstverdeling een bestendige gedragslijn wordt gevolgd. Vervolgens wordt nagegaan of de winstverdeling reëel is, met andere woorden of deze verdeling in overeenstemming is met: a) verschillen in arbeidsinbreng; b) verschillen in inbreng bij het nemen van beslissingen, die de bedrijfsvoering betreffen; c) verschillen in kapitaalinbreng. Daarbij is het gewenst dat in de rapportage wordt aangegeven of de rapporteur de winstverdeling reëel acht. Uiteindelijk beslissen B&W of de aangegeven winstverdeling reëel is of dat voor de beoordeling van de Ioaz-aanvraag van een andere winstverdeling moet worden uitgegaan. Afwijken van de formeel vastgelegde winstverdeling is dus mogelijk en aanvaardbaar in bepaalde situaties.

Artikelnummer 2 - Toekenning zelfstandigenaftrek

Betrokkene houdt een beperkt aantal koeien en vraagt een Ioaz-uitkering aan. Hij verwierf in het verleden nauwelijks inkomen uit bedrijf, maar voorzag voornamelijk in zijn levensonderhoud door inkomen uit loondienst of inkomen van de partner. Desondanks werd hem door de Inspecteur wel de zelfstandigenaftrek toegekend. Wat prevaleert: de toekenning van de zelfstandigenaftrek door de Inspecteur of het vermoeden van de gemeente dat betrokkene feitelijk niet voldeed aan het urencriterium?

Het vermoeden van de gemeente prevaleert. In zijn algemeenheid zal het oordeel van de Inspecteur gelijk zijn aan het oordeel van de gemeente. Echter, bij duidelijke afwijkingen van het oordeel van de Inspecteur, dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie en heeft de gemeente een eigen beslissingsbevoegdheid.

Artikelnummer 3 - Samenwonende broers

Twee broers wonen samen en exploiteren een tuinbouwbedrijf. Zij willen nu stoppen en vragen een Ioaz-uitkering aan. Voor de Ioaz-uitkering dienen twee samenwonende personen te worden beschouwd als een echtpaar. Hoe zit dit met het eigen vermogen? Het eigen vermogen van de beide broers staat in de jaarverslagen voor elk apart opgenomen. Moet dit nu ook bij elkaar worden opgeteld of niet?

Ingevolge artikel 3, lid 2, sub b, Ioaz, wordt als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins, worden zij aangemerkt als een gezamenlijke huishouding. Als dit laatste in het geval van de broers blijkt, dan kunnen zij dus worden gelijk gesteld met echtgenoten. Voor wat betreft de beoordeling van het vermogen is artikel 8, lid 2, Ioaz, van toepassing: ‘Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken’. Het vermogen van beide broers dient te worden opgeteld omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding, in de zin van de Ioaz wordt een van de broers als echtgenoot aangemerkt.

Artikelnummer 5 - Terugwerkende kracht beëindigingsdatum

In de praktijk komt het voor dat bij het beëindigen van een maatschap de fiscale beëindigingsdatum met terugwerkende kracht vóór de aanvraagdatum van de Ioaz komt te liggen. Kan dit worden toegestaan en zo ja op welk moment kan de Ioaz-uitkering dan ingaan als de ontbindingsakte van de maatschap, bijvoorbeeld 3 maanden na de Ioaz-aanvraag wordt gepasseerd?

Het behoeft geen bezwaar op te leveren indien, nadat de Ioaz-aanvraag is ingediend, met terugwerkende kracht de fiscale beëindigingsdatum wordt vastgesteld op een tijdstip dat ligt vóór de datum van de Ioaz-aanvraag. Deze gang van zaken kan echter de datum waarop de Ioaz-uitkering kan ingaan niet beïnvloeden. Deze kan pas na de aanvraagdatum ingaan, nadat de Ioaz-aanvrager zijn bedrijf aantoonbaar heeft beëindigd. Het is mogelijk dat de ontbindingsakte van de maatschap pas daarna wordt gepasseerd.

Artikelnummer 5 - Arbeidsverleden 7 jaar

Met betrekking tot de hier (artikel 5, lid 2) bedoelde periode van 7 jaar rijzen een aantal vragen: Hoe moet worden vastgesteld dat betrokkene in deze periode arbeid in loondienst heeft verricht?

Sinds 1987 worden door het Instituut Werknemersverzekeringen de dienstverbanden geregistreerd en is aan de hand daarvan het arbeidsverleden vast te stellen.


In hoeverre worden perioden van deeltijdwerk meegeteld?

Hierover is niets bepaald. Het ligt in de rede hierbij bij een loondienstverband, mogelijk aangevuld met parttime ondernemerschap, ook uit te gaan van 1225 uur per jaar; gelijk aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek.


In hoeverre worden perioden van werkloosheid meegeteld?

De laatste 3 jaar vóór bedrijfsbeëindiging moet men duidelijk een bedrijf hebben uitgeoefend. In de 7 jaren daaraan voorafgaand is enige onderbreking aanvaardbaar. Gemeenten hebben hierin een zekere beoordelingsvrijheid.


Stel dat het bedrijf na overlijden van de ene echtgenoot wordt voortgezet door de ander. Tellen de ‘arbeidsjaren’ van de eerste echtgenoot dan mee?

Nee. De overblijvende echtgenoot dient zelf te voldoen aan de voorwaarden van de Ioaz. Als hij/zij als meewerkend echtgenoot kan worden aangemerkt tellen die jaren wel mee.

Artikelnummer 5 - Toetredingsinkomen en overlijden

Bedrijf werd tot en met 2013 geëxploiteerd als v.o.f.(man/vrouw). De partner van de aanvrager is in 2013 overleden. Vervolgens is bedrijf omgezet naar eenmanszaak. Dient het inkomen van de overleden partner wel/ niet meegenomen te worden voor de inkomensverledeneis? Aanvrager woont nu samen met meerderjarige zoon.

De zelfstandige is de ondernemer en dat is de eigenaar van de eenmanszaak.Er moet naar het inkomen gekeken worden van de zelfstandige. Het inkomen van de ex-partner moet niet worden meegenomen

Artikelnummer 5 - Toetredingsinkomen en pensioenuitkering

Onderneemster doet beroep op IOAZ. Zij is weduwe en ontvangt partnerpensioen. Klopt het dat dit niet meegerekend wordt in de inkomenstoetsen (3 voorafgaande jaren en prognose), maar wel gekort wordt op de IOAZ uitkering?

Het wordt wel meegenomen bij de toepassing van zowel artikel 5 als artikel 8. Een uitkering op grond van de Nabestaandenwet wordt meegenomen (lid j) .Zie onder meer het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten; Artikel 2:4 ‐ Overig inkomen 1. Onder j een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en onder o. een uitkering, toeslag of een beurs die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering, toeslag of beurs als bedoeld in de onderdelen a tot en met n.

Bij alle berekeningen speelt dit inkomen dus een rol omdat het inkomen van de zelfstandige is.

Artikelnummer 5 - Toetredingsinkomen en meewerkaftrek

Meneer had reeds langer dan 10 jaar een loonbedrijf (een eenmanszaak). Hij was gehuwd met mevrouw. Meneer is d.d. 26 april 2013 overleden op 65‐jarige leeftijd (hij ontving reeds AOW). Zijn bedrijf is nog niet beëindigd en is nog geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Mevrouw is 63 jaar en heeft geen recht op ANW. De heer en mevrouw waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Kan mevrouw eventueel nog aanspraak maken op een Ioaz‐uitkering nu zij de 65‐jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en het bedrijf nog ingeschreven staat bij de KvK?

Als mevrouw meewerkaftrek had dan kan zij nog wel in aanmerking komen voor IOAZ als zij aan alle overige voorwaarden voldoet.

Artikelnummer 5 - Toetredingsinkomen en willekeurige afschrijving

Een vraag over een 55+weduwe binnenvaartschipper in een man‐vrouw vof. Na het overlijden van echtgenoot zal de onderneming beëindigd worden. Er is de laatste jaren flink geïnvesteerd. Verkoopwaarde schip is nu veel lager dan boekwaarde. Omdat de fiscus (i.v.m. crisis?) willekeurige afschrijving mogelijk maakt is na overlijden ongeveer €70.000 ineens afgeschreven, 50% van een investering in een hoofdmotor. Daardoor komt de gemiddelde winst onder Ioaz‐inkomenstoets. Vraag is of ook voor de Ioaz willekeurige afschrijving is toegestaan. (Men kan dan in feite het winstniveau binnen grenzen naar de Ioaz toerekenen. )

Dit moet hetzelfde behandeld worden als stakingswinst/verlies, of herwaardering van de activa. De winst is de winst uit normale bedrijfsuitvoering.

Artikelnummer 5 - Dienstbetrekking in Nederland

Moet men in Nederland arbeid in dienstbetrekking hebben verricht om eventueel te voldoen aan de periode van 7 jaar of telt arbeid in het buitenland ook mee?

De Ioaz stelt niet uitdrukkelijk de voorwaarde dat de arbeid in dienstbetrekking in Nederland is verricht. Wel moet de duur van het arbeidsverleden aannemelijk worden gemaakt.

Artikelnummer 5 - Werkzaamheden in het buitenland

Indien een ondernemer in Nederland gevestigd is (geweest), maar zijn werkzaamheden grotendeels voor een Duitse opdrachtgever in Duitsland heeft uitgevoerd, kan hij dan voor IOAZ in aanmerking komen (er van uitgaande dat hij aan alle overige voorwaarden voldoet)?

Op grond van artikel 65 lid van Vo 883/2004 – dit artikel geldt reeds vanaf 1 mei 2010 – heeft de gewezen zelfstandige aanspraak op de Nederlandse IOAZ. De in artikel 2 lid 1 IOAZ gestelde voorwaarde dat de gewezen zelfstandige zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht is een met het EU‐recht strijdige voorwaarde.Betrokken zelfstandige moet uiteraard wel bewijzen dat hij in Duitsland resp. België tijdvakken van (zelfstandige) arbeid heeft vervult.

Artikelnummer 5 - Gescheiden levend

Het betreft een ondernemer met de Poolse nationaliteit. Hij is minstens 3 jaar in NL als zelfstandige werkzaam en 7 jaren daaraan voorafgaand in NL in loondienst. Hij is gehuwd, maar zijn echtgenote verblijft in Polen. Zij heeft daar inkomsten uit Pools pensioen. Moet rekening gehouden worden met haar inkomen? Of moet hij worden aangemerkt als alleenstaande? Hij wil in NL blijven, zegt hij. Zijn vrouw blijft in Polen

Als een van de echtgenoten tijdelijk elders woont, bijvoorbeeld in verband met diens werk of vanwege huisvestingsproblemen, en de achterblijvende echtgenoot een beroep doet op bijstand, wordt, met toepassing van artikel 32 lid 4 PW, het inkomen van de andere echtgenoot, voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, tot het gezinsinkomen gerekend en dus in mindering gebracht op de bijstand. Verhaal kan dan echter niet aan de orde komen omdat het gezinsverband niet ontbreekt.

Artikelnummer 5 - Geldigheid urencriterium

Geldt het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek ook als criterium voor toetsing van 7 jaar zelfstandig ondernemerschap?

Ja, dit is het gevolg van de definitie voor een gewezen zelfstandige zoals opgenomen in artikel 2 van de Wet Ioaz. Wanneer sprake is van “parttime ondernemerschap” en parttime inkomsten uit loondienst, kan hiervan worden afgeweken. Bijvoorbeeld 50% ondernemerschap en 50% loondienstverband.


Ik heb een vraag over het urencriterium die nu in een beroepskwestie de nodig stof doet opwaaien. Ten tijde van de voorbereiding van het primaire besluit op aanvraag is op basis van de toen aangenomen feiten en omstandigheden vastgesteld dat er niet werd voldaan aan het urencriterium in het jaar voorafgaande aan de aanvraag IOAZ (2011). Er is zelfs specifiek en gericht onderzoek verricht naar het urencriterium door een derde deskundige instantie. Om met name het niet (aangetoond) voldoen aan het urencriterium is de aanvraag voor een uitkering ingevolge de IOAZ afgewezen. In bezwaar heeft de wederpartij een algemene urenstaat ingediend. Deze is betwist en onderuit gehaald. Bezwaar ongegrond. De wederpartij heeft in beroep een nieuwe algemene urenstaat aangevoerd en gesteld dat hij wel heeft voldaan aan dat urencriterium. Echter deze urenstaat is om o.a. 8 redenen in twijfel getrokken en ter discussie gesteld:

Wordt in de boekencontrole vastgesteld dat er aan het urencriterium is voldaan of blijft dat onvermeld vanwege het resultaat. Als dit niet het geval is dan heft belanghebbende géén concrete en objectiveerbare gegevens overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. ( zie uitspraak CRvB 06-04-2010, nr. 09/4296 NIOAZ, nu ECLI:NL:CRVB:2010:BM1975)

Artikelnummer 5 - Continuering afgeleid recht bij pensionering

Man geboren 21-04-1950 en vrouw geboren 15-10-1953 hebben IOAZ. Bij de toekenning is vastgesteld dat de vrouw het afgeleide recht op IOAZ heeft. Man krijgt op 21-07-2015 recht op AOW, vrouw niet. Dient vrouw per 21-07-2015 een beroep te doen op de Participatiewet per 21-07- 2015 ? Haar (afgeleide) recht op IOAZ is immers op dat moment niet meer van het recht van haar echtgenoot af te leiden.

Het recht op IOAZ houdt op voor mevrouw Toeslag op de AOW is niet mogelijk. Bij een onvolledig AOW-pensioen en inkomen lager dan het sociaal minimum kan een beroep gedaan worden op een ‘aanvullende inkomensvoorziening ouderen’ (AIO) krijgen. De AIO-aanvulling is een onderdeel van de Participatiewet..

Artikelnummer 5 - Recht bij ontbreken zelfstandigenaftrek

Ondernemer is in 2013 ziek geworden en heeft als gevolg hiervan in 2014 geen zelfstandigenaftrek geclaimd, wel is een jaarrekening gemaakt en wordt een FOR afname in de aangifte verwerkt. Hoe nu om te gaan met toetsingscriteria ?

De inkomenseis ten aanzien van de laatste 3 jaar geldt niet voor deze categorie gewezen zelfstandige (arbeidsongeschikte, is wel van voor de afschaffing van de WAZ), gelet op de specifieke belemmeringen voor betrokkene om in het bestaan te voorzien in verband met arbeidsongeschiktheid. Uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2015:1248. In artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ was bepaald dat de gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1986-1987, 19 778, nr. 3, blz. 13) blijkt dat het urencriterium betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Voor zover het de zelfstandige betreft die het bedrijf of beroep in verband met arbeidsongeschiktheid moet beëindigen wordt het urencriterium toegepast met betrekking tot het jaar voorafgaande aan deze arbeidsongeschiktheid.Het dagelijks bestuur heeft in deze zaak vervolgens gekeken of appellant alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering ingevolge de IOAZ als het jaar waarin appellant nog wel voldeed aan het urencriterium tot uitgangspunt wordt genomen. Hiermee heeft het dagelijks bestuur onverplicht toepassing willen geven aan de wettelijke bepalingen, die sinds 29 december 2005 geen gelding meer hebben. Nu dit niet berust op een beleidsregel of een vaste gedragslijn van het dagelijks bestuur, moet dit worden gezien als een onverplichte, coulance halve beoordeling die zich aan een rechterlijk oordeel onttrekt.

Artikelnummer 6 - Uittreden directeur BV

Is het acceptabel dat een BV-directeur uittreedt uit de BV, maar alle aandelen behoudt?

Nee. In de constructie die in de vraagstelling ligt opgesloten zou de BV-directeur zijn arbeidsinbreng staken, maar via zijn aandelenpakket zeggenschap over beheer en bestuur van de BV behouden. Dit is niet aanvaardbaar. Zowel de arbeid als de zeggenschap dient te worden prijsgegeven. Tenminste de meerderheid van de aandelen dient voorts te worden verkocht. Van het behouden van prioriteitsaandelen kan verder geen sprake zijn.

Artikelnummer 6 - Stamrecht BV

Kan de IOAZ uitkering ingaan op het moment dat de ondernemer nog een stamrecht bv heeft.De stamrecht bv bestaat al langer dan 3 jaar en heeft als doel om te voorzien in het pensioen van de DGA. Hierbij uitgaande dat de stamrecht bv voldoet een de rendementseis en er een positief kapitaal aanwezig is binnen de bv.

Een stamrecht BV is in dit geval vermogensbeheer en heeft in principe niets met zelfstandig ondernemerschap te maken, Het kan dus geen probleem opleveren bij een IOAZ uitkering. De waarde moet wel worden vastgesteld.

Artikelnummer 6 - Buitenvennootschappelijk

Bedrijf in de detailhandel, met drie vennoten (vader, moeder en dochter). Bedrijf is alleen levensvatbaar wanneer 1 vennoot (de dochter) het bedrijf voortzet. De ouders treden binnen 3 maanden uit de vof, en de dochter zal de onderneming voortzetten. De dochter komt in aanmerking voor een Bbz‐lening.De ouders komen graag in aanmerking voor de IOAZ. Zij zijn nog in het bezit van een buitenvennootschappelijk firma (bedrijfsgebouw). Naast de vof, dient deze firma in het kader van de IOAZ beëindigd te worden. Zij zijn niet eerder in staat fiscaal af te rekenen dan in 2015 en 2016. Zij zouden graag de buitenvennootschappelijke firma, nog anderhalf jaar willen voortzetten. In hoeverre conflicteert dit met de IOAZ ?

De buitenvennootschappelijk firma (bedrijfsgebouw) is vermogensbeheer en is ons inziens vergelijkbaar met bijvoorbeeld een stamrecht BV. Zij zijn geen zelfstandig ondernemers meer na het afstoten van de VOF met hun dochter.Het vermogen voor de IOAZ moet wel vastgesteld worden en dat is 100% van het bedrijfsgebouw. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.

Artikelnummer 6 - Partner ook beëindigen?

Betekent artikel 6, eerste lid, dat ook de partner van betrokkene het bedrijf moet beëindigen, zelfs indien het een ander bedrijf betreft?

Ja. Aan de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer wordt op dit punt het volgende ontleend: “Aangezien het recht op Ioaz-uitkering betrekking heeft op de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk en voorkomen dient te worden dat van overheidswege direct of indirect een inkomensgarantie aan zelfstandigen wordt gegeven dient de voorwaarde van beëindiging van het bedrijf c.q. het niet-hervatten van enig bedrijf ook te gelden voor de echtgenoot (…). Bij het ontbreken van deze voorwaarde (zou) een door het kabinet afgewezen inkomensgarantie aan zelfstandigen ontstaan. Bovendien zou de regeling aanleiding kunnen geven voor oneigenlijk gebruik (overdracht van het bedrijf van de echtgenoot, werken in het bedrijf van de echtgenoot). De Ioaz is bedoeld als inkomensvoorziening voor gewezen zelfstandigen bij het wegvallen van het inkomen uit bedrijf of beroep en niet als voorziening ter aanvulling van het inkomen uit bedrijf of beroep”.


Ik heb een ondernemer die beroep doet op IOAZ . Zij is reeds in 2001 gestart. Nu is haar man in 2014 gestart met zijn bedrijf. Het is vooralsnog onduidelijk wat hij ervoor heeft gedaan. Nu lijkt het erop dat hij in het verleden vooral meewerkende partner is geweest in het bedrijf van zijn vrouw. Ik ga er derhalve van uit dat hij geen zelfstandig recht heeft op IOAZ. Zijn vrouw echter wel. Nu vraag ik me af of de man zijn bedrijfsactiviteiten verplicht moet staken als zijn vrouw IOAZ toegewezen krijgt. En zou je me ook kunnen vertellen op grond waarvan dat dan wel of niet moet?

Beiden mogen geen zelfstandige meer zijn. Artikel 6 lid 1 IOAZ stelt dat geen recht op uitkering ontstaat, zolang het bedrijf of beroep door de zelfstandige en de echtgenoot niet is beëindigd.Als de echtgenoot meewerkaftrek heeft genoten gedurende minimaal de laatste 3 jaar en daarvoor 7 jaar in loondienst is geweest heeft hij zelfstandig recht.

Artikelnummer 6 - Verrichten arbeid van vader bij zoon

Kan de vader die uit de maatschap met de zoon treedt en Ioaz krijgt nog wel op het bedrijf van de zoon mee blijven werken?

Voor de Ioaz is uitgangspunt dat geen inkomens verwervende arbeid als zelfstandige meer kan worden verricht. Werken op het bedrijf kan eventueel wel in loondienst, zij het dat volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep een arbeidsovereenkomst, waarbij de vader voor de zoon werkt, in het algemeen niet aannemelijk wordt geacht vanwege het doorgaans ontbreken van een gezagsverhouding. In de praktijk zal het kunnen voor komen dat vader toch meewerkt in het bedrijf van de zoon. Uiteraard wordt dit inkomen in mindering gebracht op de uitkering. De Ioaz-er is op grond van artikel 13 Ioaz verplicht onmiddellijk alle feiten en omstandigheden mee te delen die van invloed zouden kunnen zijn op de uitkering. Daartoe behoort ook het meewerken in het bedrijf van de zoon. Het aantal gewerkte arbeidsuren en het daaruit behaalde inkomen dient aan de gemeente te worden gemeld. Het arbeidsinkomen wordt op de Ioaz-uitkering in mindering gebracht. Overigens is ook de zoon verplicht (artikel 44, lid 1 Ioaz) desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de inkomsten van de vader. Wordt onbetaald werk verricht in het bedrijf van de zoon dan geldt het volgende: aan de Ioaz-er kunnen onbetaalde werkzaamheden worden toegestaan met behoud van de Ioaz-uitkering. Deze werkzaamheden zijn echter gebonden aan strikte voorwaarden en mogen niet bestaan uit reguliere productieve arbeid in bedrijfs- of beroepsleven. Deze voorwaarden gelden in het algemeen voor werkloze uitkeringsgerechtigden en zijn vastgelegd in circulaires. Het verrichten van onbetaald werk in een bedrijf kan niet worden geaccepteerd.

Artikelnummer 6 - Verpachten grond

Eén van de firmanten wil uittreden en daarbij de helft van de 7 ha. tuinbouwgrond in eigendom houden. De andere firmant kan niet betalen. Kan in de sfeer van de Ioaz worden geaccepteerd dat de betreffende ha’s worden verpacht?

In principe wel. Uit de vraagstelling valt af te leiden dat de uittredende firmant de grond overbrengt naar het privé-vermogen en de overige bedrijfsactiva verkoopt aan de andere firmant. De grond wordt verpacht aan de andere firmant. Analoog aan de slager die zijn voorraad, gereedschap, inventaris etc. verkoopt en het winkelpand vervolgens leeg verhuurt, kan worden gesteld dat de uittredende firmant zijn bedrijf beëindigt, wanneer de overige bedrijfsactiva worden verkocht c.q. te gelde gemaakt. Het vermogen kan voorlopig worden vastgesteld. Na bekend worden van de exacte hoogte van het vermogen kan een eventuele te hoge uitkering worden teruggevorderd.

Artikelnummer 6 - Verdiensten uit bedrijf van partner

Hoe moet het inkomen uit een bedrijf van de echtgenote gekort worden op de Ioaz-uitkering van de echtgenoot?

Bij de beoordeling van het recht op Ioaz gaat het om het bedrijf of de bedrijven van de zelfstandige en de partner. Er kan dus helemaal geen sprake zijn van inkomsten uit bedrijf terwijl men een Ioaz-uitkering heeft. Artikel 6 geeft ook aan dat geen recht op uitkering bestaat zolang een bedrijf door de zelfstandige en de echtgenoot niet is beëindigd (lid 1) c.q. aanvangt dan wel hervat (lid 3a). Reden ook waarom in het Algemeen inkomensbesluit Socialezekerheidswetten artikel 2:9 lid 2 (voorheen artikel 4 Inkomensbesluit Ioaz) bij de verwijzing naar artikel 8 ook geen inkomsten uit bedrijf meer genoemd worden.

Artikelnummer 8 - Melkquotum

Hoe wordt in de Ioaz omgegaan met een melkquotum?

Het toegewezen melkquotum wordt niet afzonderlijk gewaardeerd in het geval dat dit geruisloos wordt overgedragen aan een kind. In alle andere gevallen wordt het melkquotum wel gewaardeerd.

Artikelnummer 8 - Verleasen melkquotum: inkomen uit vermogen of inkomen

Een Ioaz-gerechtigde heeft nog enige grond overgehouden en verleast het melkquotum. Is dit inkomen uit arbeid of inkomen uit vermogen?

Geen van beide. Alvorens deze vraag aan de orde komt dient eerst de vraag te worden beantwoord of er bij het aanhouden van een melkquotum na het afstoten van (het merendeel) van de overige activa wel van bedrijfsbeëindiging kan worden gesproken. Een toegekend of aangekocht melkquotum geeft iemand het recht om te produceren. Echter bij reële bedrijfsbeëindiging ziet men af van verdere productie. Het niet afstaan van het productierecht wordt beschouwd als het niet volledig beëindigen van het bedrijf. Het quotum zal verkocht moeten worden wil er sprake zijn van bedrijfsbeëindiging.

Artikelnummer 8 – Alimentatie: wel of geen inkomen

Een ex‐partner alimentatie wordt, voor zover mij bekend, gekort op een PW uitkering. Wordt deze alimentatie ook gekort op een Ioaz uitkering?

Het is geen inkomen uit of in verband met arbeid en wordt niet gekort op de IOAZ uitkering. Alimentatie wordt niet genoemd als inkomen in het Algemeen Inkomensbesluit Sociale Zekerheidswetten.

Artikelnummer 8 - Indirecte overdracht grond aan zoon

Een akkerbouwer wil zijn bedrijf overdragen aan zijn zoon en zelf een Ioaz- uitkering aanvragen. Bij de beoordeling van de financiële positie blijkt dat de zoon niet in staat is de grond te financieren, ook niet als hij deze voor de waarde in verpachte staat kan overnemen. Na veel overleg wordt een particulier bereid gevonden de grond te kopen waarbij de voorwaarde wordt geaccepteerd dat deze grond in erfpacht in gebruik wordt gegeven aan de zoon. Deze voorwaarde heeft tot gevolg dat de verkoopprijs weinig hoger is dan de waarde in verpachte staat. De vraag is of bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de Ioaz rekening mag worden gehouden met de verkoopopbrengst of dat uitgegaan moet worden van de waarde in het economisch verkeer omdat het geen rechtstreekse overdracht is van vader op zoon?

In de Regeling vermogenswaardering Ioaz wordt gesteld dat bij overdracht van ouders op kinderen, land- en tuinbouwgrond minimaal wordt gewaardeerd naar de waarde in verpachte staat. Daarbij maakt het niet uit dat in dit voorbeeld een derde een rol speelt.

Artikelnummer 8 - Overdracht vader-zoon tegen hogere dan verpachte waarde

Hoe wordt de grond gewaardeerd bij overdracht van vader op zoon, of bij uittreden uit een maatschap?

Ingevolge artikel 9, Regeling vermogenswaardering Ioaz, kan land- en tuinbouwgrond bij overdracht van ouders aan kinderen en bij uittreding uit een samenwerkingsverband of rechtspersoon, bij voortzetting van het bedrijf als volwaardig bedrijf, worden gewaardeerd naar de waarde in verpachte staat. Deze waarde geldt ook indien een lagere prijs wordt afgesproken. wordt een hogere prijs overeengekomen dan geldt deze hogere prijs.

Artikelnummer 8 - Vruchtgebruik bedrijfswoning

Betreft een vader/zoon-maatschap. Vader (58 jaar) heeft om gezondheidsredenen besloten uit de maatschap te treden. Zijn Ioaz-aanvraag voldoet aan alle toetredingscriteria en het recht op Ioaz kan worden verleend. De zoon neemt het hele bedrijf, inclusief de bedrijfswoning, over. De aanwezige stille reserves worden in hun geheel doorgeschoven; er waren geen stille reserves voorbehouden. Bij de overname is afgesproken dat de ouders € 136.134 over willen houden en dat zij zich het levenslange recht van vruchtgebruik en bewoning van de bedrijfswoning voorbehouden. De hoogte van de overnamesom wordt derhalve op deze € 136.134 gesteld. De ouders hoeven geen huur te betalen voor de bedrijfswoning. Het eigen vermogen van de ouders bedraagt dus €136.134. Moet nu een waarde toegekend worden aan het recht van vruchtgebruik van de bedrijfswoning door de ouders?

De overeengekomen overdrachtsprijs van € 136.134 speelt in het kader van de Ioaz geen rol. De aanwezige vermogensbestanddelen worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer, behoudens land- en tuinbouwgrond, deze wordt gewaardeerd naar de waarde in verpachte staat. De waarde van de woning in het economisch verkeer is uitgangspunt, waarbij rekening wordt gehouden met het erop rustende vruchtgebruik.

Artikelnummer 8 - Vruchtgebruik woning

De woning van de Ioaz-er (waarde € 90.000 in onbewoonde staat) wordt in vruchtgebruik bewoond door diens ouders. Op de woning rust een hypotheek van € 23.000 aangegaan voor de aanschaf van een jacht. Blijft deze schuld ook buiten beschouwing?

Ja. De hypotheek is onlosmakelijk met de buiten beschouwing te laten woning verbonden.

Artikelnummer 8 - Vader draagt woning over maar behoudt recht op bewoning

Hoe moet in het kader van de Ioaz de woning van de vader worden gewaardeerd in het geval dat de vader de woning overdraagt aan de zoon, maar het recht op bewoning kan worden beschouwd als het recht van vruchtgebruik?

In casu dient te worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer waarbij rekening wordt gehouden met het gevestigde vruchtgebruik.

Artikelnummer 8 - Goodwill

Hoe dient goodwill te worden gewaardeerd?

Bij verkoop van het bedrijf speelt in de regel opgebouwde goodwill een rol. Deze meerwaarde behoort in de verkoopsom tot uitdrukking te komen. Wanneer bij bedrijfsbeëindiging activa over gaan naar het privé-vermogen, zal er veelal geen sprake zijn van goodwill. Deze activa worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer.

Artikelnummer 8 - Fiscale oudedagsreserve (FOR)

Op welke manier wordt rekening gehouden met de opgebouwde FOR bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de Ioaz?

De FOR is een fiscale aftrekpost waarvan gedurende het leven van de onderneming gebruik gemaakt kan worden. Voordeel is dat de opgebouwde reserve in het bedrijf kan blijven en dan vrij blijft van belasting. In feite bestaat de FOR slechts op papier. De opbouw van een oudedagsreserve van een zelfstandige is volkomen vergelijkbaar met de pensioenopbouw van een werknemer in loondienst. Dit heeft tot gevolg dat bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de Ioaz de opgebouwde FOR in mindering wordt gebracht op het vermogen. Daarbij moet de zelfstandige wel eerder dan 3 jaar vóór de Ioaz-aanvraag met de opbouw van de FOR zijn begonnen en moet deze FOR bij bedrijfsbeëindiging worden omgezet in een lijfrente. Uiteraard moet dan ook geen rekening worden gehouden met de over dit bedrag te betalen inkomstenbelasting. Wordt direct met de fiscus afgerekend (en de FOR dus niet omgezet in een lijfrente) dan worden de aan de fiscus verschuldigde belasting en premies in verband met de afneming van de FOR in mindering gebracht op de bezittingen.

Artikelnummer 8 - Koopsompolissen

Hoe moet worden omgegaan met koopsompolissen bij aanvragen Ioaz?

Koopsompolissen behoren wel tot de bezittingen indien ze zijn verkregen door het voldoen van een koopsom en dienen derhalve te worden meegenomen in de vermogenswaardering. Overigens dienen ook lijfrentes die (nog niet) zijn ingegaan en waarvan de premiebetaling is begonnen binnen 3 jaar vóór het indienen van de aanvraag te worden meegenomen in de vermogenswaardering. (Let op de waarderingsgrondslag vermeld in artikel 5 van de Regeling vermogenswaardering Ioaz.)

Artikelnummer 8 - Pensioenverzekering

ik heb een Ioaz aanvraag in behandeling waarbij de ondernemer over een pensioenverzekering beschikt. Moet/Kun je de waarde van deze polis corrigeren in de vermogenspositie via de (aanvullende) pensioenvoorziening?

Je moet de waarde vaststellen en als dit beneden de extra “vrijlating” van € 122.717 valt geldt het niet als vermogen. De hele vrijlating overeenkomstig artikel 8 lid 2 van € 132.299 blijft staan.

Artikelnummer 8 - Uitgekeerde lijfrenten inkomen voor Ioaz?

Een ingegane lijfrente van een zelfstandige is door middel van koopsommen aangekocht waardoor de waarde tot het vermogen wordt gerekend. Dienen daarnaast ook de lijfrenten die uitgekeerd worden, tot het inkomen te worden gerekend in het kader van de Ioaz?

Uitkeringen van lijfrenten die door middel van koopsommen zijn opgebouwd kunnen niet als een pensioenregeling worden beschouwd. Derhalve worden deze uitkeringen niet als inkomen op de Ioaz in mindering gebracht. Uitkeringen van lijfrenten die wel als een pensioenregeling kunnen worden gezien (zoals de FOR) worden wel als inkomen op de Ioaz-uitkering in mindering gebracht.


Client heeft 2 jaar voor het aanvragen van de IOAZ een lijfrente afgesloten die nu tot uitbetaling is gekomen. (betreft een maandelijkse uitkering die tot haar pensioen doorloopt. Dienen deze inkomsten gekort te worden op de IOAZ uitkering?

Je zal het mee moeten nemen met het vaststellen van het vermogen. Het is namelijk vermogen en inkomen uit vermogen wordt niet gekort.Dit zolang het vermogen ten minste de vrijlating niet overschrijdt.

Artikelnummer 8 - Afkoopsom

Op grond van artikel 4, Regeling vermogenswaardering Ioaz, worden rechten op uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval niet tot de bezittingen gerekend. In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Regeling Vermogenswaardering Ioaz, worden ingegane lijfrenten aan degene die invalide is eveneens buiten beschouwing gelaten. Hoe moet een afkoopsom worden beoordeeld waarmee een verzekeringsmaatschappij een periodieke uitkering wegens invaliditeit ineens heeft afgekocht?

Op grond van artikel 5, Regeling vermogenswaardering Ioaz, wordt met de waarde van een periodieke uitkering wegens invaliditeit geen rekening gehouden, dienovereenkomstig wordt ook geen rekening gehouden met de waarde van de afkoopsom waarmee de verzekeringsmaatschappij een dergelijk periodieke uitkering heeft afgekocht. Uiteraard moet de Ioaz-er bij de aanvraag wel kunnen aantonen dat een deel van het aanwezige vermogen afkomstig is van een dergelijke uitkering ineens.

Artikelnummer 8 - Stakingswinst

Hoe moet voor de Ioaz rekening worden gehouden met fiscale claims in verband met stakingswinst?

De stakingswinst bestaat uit het totaal van goodwill, stille reserves en fiscale reserves. Stakingswinst wordt niet tot winst in de zin van de Ioaz gerekend (artikel 2:2 lid 1 sub d Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten voorheen artikel 3, tweede lid, Inkomensbesluit Ioaz). Stakingswinst is, evenals de normale jaarwinst, uiteraard wel van belang voor de vaststelling van de verschuldigde belasting en premies aan de fiscus bij beëindiging. De stakingswinst verminderd met de fiscale claim verhoogt in feite het vermogen.

Artikelnummer 8 - Schenking

In de Regeling vermogenswaardering Ioaz is bepaald dat het vermogen wordt vastgesteld onmiddellijk na beëindiging van het bedrijf. Wat nu te doen als een schenking in liquide middelen heeft plaatsgevonden vóór de bedrijfsbeëindiging?

Op grond van artikel 11, Regeling vermogenswaardering Ioaz, hebben B&W de mogelijkheid in het geval dat bezittingen in het zicht van beëindiging van het bedrijf of beroep zijn verkocht of overgedragen en dit, gelet op de aard en de strekking van de wet tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, de waarde van deze bezittingen vast te stellen op basis van de waarde in het economisch verkeer. In de toelichting op dit artikel wordt gesteld dat burgemeester en wethouders de vermogensbestanddelen kunnen waarderen: “die in het zicht van bedrijfsbeëindiging zodanig zijn overgedragen of verkocht, dat daarmee de inkomenstoets geheel of voor een deel wordt ontweken. Dit kan het geval zijn indien het eigendom is overdragen. waarbij het vruchtgebruik is voorbehouden. Het vermogen wordt dan nader vastgesteld naar de waarde in het economisch verkeer bij overdracht zonder bezwaring. Voorts kan correctie nodig zijn indien vermogensbestanddelen zijn verkocht voor een niet reële prijs”. Gezien tekst en toelichting bij dit artikel kan worden gesteld dat deze correctiemogelijkheid ook aanwezig is bij schenkingen in het zicht van de bedrijfsbeëindiging.

Artikelnummer 8 - Inkomensbronnen relevant voor uitkering

Kan een overzicht gegeven worden van de meest voorkomende inkomensbronnen die wel of juist niet relevant zijn voor de Ioaz?

Hierna volgt een schematisch overzicht van inkomens die al dan niet van belang zijn bij de Ioaz.:

Soort inkomen Inkomensverledeneis Meenemen in
berekening
inkomenverwachtingseis
Gekort op
uitkering
Bedrijfsinkomen aanvrager ja ja n.v.t.
Uitkering AAW/WAO/ANW/ZW/WW van aanvrager ja ja ja
Inkomen loondienst aanvrager ja ja ja
Inkomen loondienst partner nee nee ja
Inkomen loondienst partner uit bedrijf aanvrager ja ja n.v.t.
Zelfstandige beloning echtgenote (bij maatschap) ja ja n.v.t.
Bedrijfsinkomen partner uit eigen bedrijf partner ja ja n.v.t.
Uitkering AAW/WAO/ANW/AOW/ZW/WW van partner nee nee ja
Uitkering particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering ja ja ja
Rente-opbrengsten spaartegoeden (privé) nee nee nee, tot €122.717 daarboven 3%
Huuropbrengsten onroerende zaken (privé) nee nee nee

• Vanaf 2010 is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten van toepassing. In 2:4 lid 2 onderdeel o in combinatie met artikel 2:4 lid 1 onder b is geregeld dat een uitkering AOV vanaf dan wel als inkomen moet worden aangemerkt.


Mijn vraag gaat over wat tot het begrip inkomen uit arbeid en overig inkomen moeten worden gerekend inzake het IOAZ ten behoeve van het vaststellen van het recht op uitkering. In onderdeel 8 van deze helpdesk is er een schema opgesteld. Komt dit schema nog steeds overeen met het bepaalde in artikel 8 lid 4 IOAZ jo. het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten welke in werking is getreden per 1 januari 2011? Graag onder bouwen aub. In het bijzonder op het vlak van het bepalen van het recht, dus artikel 5 lid 2 en 3 IOAZ. Uit het schema leid ik af dat een aantal inkomensbronnen (in het bijzonder van de partner) niet meegenomen worden, doch wel als overig inkomen of inkomen uit arbeid worden aangemerkt op grond van artikel 2:2 t/m 2:5 van het I Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Zie ook artikel 1:1 lid 2 Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten, waarmee de echtgenoot ook als uitkeringsgerechtigde wordt aangemerkt.

Onze interpretatie zoals het in de nieuwe regels staat is nog steeds dat het schema nog steeds klopt. In de toelichting op het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt aangegeven:Het doel van deze harmonisatie is dat de regelgeving over welke soorten inkomen verrekend dienen te worden met de uitkering, duidelijk en overzichtelijk wordt. In het wetsvoorstel tot wijziging van verschillende wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving) (Stb. PM) zijn de delegatiegrondslagen in de socialezekerheidswetten geüniformeerd. Op grond van deze delegatiegrondslagen wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder «inkomen», «inkomen uit arbeid» en «overig inkomen» wordt verstaan. In de socialezekerheidswetten is geregeld dat eventuele inkomsten van een uitkeringsgerechtigde en/of diens partner – geheel of gedeeltelijk – verrekend dienen te worden met de uitkering. De uniformering van de delegatiegrondslagen maakt samenvoeging van de bestaande inkomensbesluiten tot één Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten mogelijk. Het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten voegt de inkomensbesluiten samen die betrekking hebben op de volksverzekeringen en op de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

Het doel is ons inziens dus niet een aanpassing van het bepalen van het recht op IOAZ. Hoewel het natuurlijk verwarrend is. Artikel 2 van de IOAZ gaat uit van de gewezen zelfstandige (lid 1) en de partner wordt gelijkgesteld als die ook aan de eisen Wet inkomstenbelasting voldoet. De IOAZ gaat uit van de gewezen zelfstandige en de uitkeringsgerechtigde. De partner die niet zelf uitkeringsgerechtigde is maar meelift met het recht van de partner blijft wat betreft het vaststellen van het recht buiten beschouwing. Voor wat betreft de inkomstenverrekening weer wel nadat het materiele recht is toegekend. Artikel 2:4 van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen geeft aan wat onder overig inkomen van de uitkeringsgerechtigde wordt verstaan en dat van de niet rechthebbende partner telt dan niet mee.

Artikelnummer 8 - Inkomen als commanditaire vennoot

Een Ioaz-er geniet na bedrijfsbeëindiging nog winst uit bedrijf als commanditaire vennoot (CV). Wordt deze winst op de uitkering in mindering gebracht?

Nee, dit valt onder inkomsten uit vermogen.

Artikelnummer 8 - Uitkering AOV: wel of geen inkomen

Wordt een uitkering uit AOV als inkomen aangemerkt. Schulinck is van mening dat dit niet het geval is en dat een AOV uitkering niet valt artikel 2:4 lid2 onderdeel o Algemeen inkomenbesluit socialezekerheidswetten. Men baseert dit mede ook op het gegeven dat een AOV uitkering in het voorgaande Inkomensbesluit Ioaz ook was uitgesloten.

Het IMK kan zich niet vinden in het antwoord van Schulinck.Uit artikel 2:4 lid 2 onderdeel o Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten volgt dat: een uitkering, toeslag of een beurs die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering, toeslag of beurs als bedoeld in de onderdelen a tot en met n, als overig inkomen beschouwd moet worden.Artikel 2:4 lid 2 onder b vermeld een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.Een uitkering op grond van een particuliere AOV is naar onze mening een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering WAZ. Beiden hebben immers ten doel een uitkering te verstrekken bij arbeidsongeschiktheid.Het klopt dat deze in het verleden niet meegenomen werd op grond van het Inkomensbesluit Ioaz maar toen was deze specifiek genoemd en klaarblijkelijk heeft de wetgever er nu voor gekozen die niet meer specifiek te benoemen.IMK blijft dus op het standpunt staan dat inkomsten uit AOV op grond van artikel 2:4 lid 2 onder o wel meegenomen moeten worden

Artikelnummer 8 - Afkopen pensioen in zicht van beëindiging

In het zicht van de bedrijfsbeëindiging koopt een zelfstandige zijn direct ingaand pensioen af. Hoe wordt hier in het kader van de Ioaz rekening mee gehouden?

In het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (voorheen inkomensbesluit Ioaz) wordt geregeld dat op de Ioaz-uitkering pensioen volledig wordt gekort. Door het pensioen af te kopen, zou de korting vervallen. Omdat de afkoop van pensioen heeft plaatsgevonden in het zicht van de beëindiging hebben B&W de mogelijkheid dit te corrigeren. Op de uitkering vindt een korting plaats conform de voorheen afgesloten pensioenregeling. Noot: let op in verband met gewijzigde visie op pensioenvoorziening in de derde pijler hoeft vanaf 2015 niet in alle gevallen een pensioenvoorziening gezien te worden als voorliggende voorziening welke gekort moeten worden. Hiervoor zijn nu aparte regels opgenomen.

Artikelnummer 8 - Korting inkomsten uit vermogen

Bij de korting op de uitkering ivm het vermogen spelen 3 factoren een rol. De hoogte van het vermogen, de vrijlatingsvermogensgrens en het te hanteren percentage. Wanneer deze laatste twee bij wet gewijzigd worden moet daar dan rekening mee gehouden worden of blijven deze componenten -evenals het bij beëindiging vastgestelde vermogen- altijd hetzelfde?

Het bij beëindiging van het bedrijf vastgestelde vermogen en de op dat moment van kracht zijnde vermogensgrens blijven altijd hetzelfde. Van het meerdere dat dus tijdens de uitkering nooit meer kan veranderen dient ieder jaar bezien te worden hoeveel procent hiervan op de uitkering moet worden gekort. Op dit moment dus 3%.

Artikelnummer 8 - Korting op uitkering i.v.m. vermogen

Blijft gedurende de periode dat er recht op Ioaz bestaat het vermogen gelijk of kan het vermogen in de loop van die periode worden geherwaardeerd zodat er een aangepaste korting kan plaatsvinden over het vermogen boven een bepaalde grens?

Nee, de inkomensaftrek blijft gelijk en is gekoppeld aan het onmiddellijk bij de bedrijfsbeëindiging eenmalig vastgestelde vermogen. Of dat vermogen na de bedrijfsbeëindiging nu hoger of lager wordt maakt niets uit. Er vinden dus geen nieuwe vermogensvaststellingen of taxaties plaats.

Artikelnummer 8 - Kosten van taxatie

Voor wie zijn de kosten van taxaties van onroerende goederen, voor de belanghebbende of de gemeente?

De kosten zijn zoals blijkt uit de Regeling financiering en verantwoording IOAW, Ioaz en Bbz 2004 uitvoerings- en onderzoekskosten zelfstandigen voor rekening van de gemeente, die op haar beurt deze kosten (max. de in de branche gebruikelijke tarieven) weer voor 90% van het rijk vergoed krijgt. Dit kan alleen gedeclareerd worden indien de taxatie nog gebeurd bij een aanvraag Bbz (beëindigende zelfstandige of eerder oudere zelfstandige). De Ioaz wordt niet meer genoemd in artikel 5 Regeling financiering en verantwoording IOAW, Ioaz en Bbz 2004.

Artikelnummer 8 - Waarde economisch verkeer

Wat wordt verstaan onder de waarde in het economisch verkeer?

De prijs die de meestbiedende bij verkoop onder normale omstandigheden bereid is te betalen.

Artikelnummer 8 - Waardering bedrijfsbeëindigingregeling

Moet een schadeloosstelling van de gemeente ivm een gedwongen bedrijfsverplaatsing die uiteindelijk leidt tot een bedrijfssluiting in de vermogenswaardering worden meegenomen?

Ja, de schadeloosstelling verhoogt het vermogen.

Artikelnummer 8 - Waardering stamrecht

Kan een stamrecht gekocht uit de opbrengst van de verkoop van een onroerend goed (stille reserve) bij de bedrijfsbeëindiging buiten de vermogensvaststelling blijven?

Nee, alleen wanneer dit stamrecht in het verlengde van de fiscale oudedagsreserve (FOR) is afgesloten en men met de opbouw daarvan is begonnen eerder dan 3 jaar voor het indienen van de aanvraag. (Let op de waarderingsgrondslag vermeld in artikel 5 van de Regeling vermogenswaardering Ioaz).

Artikelnummer 8 - Waardering FOR

Op welke manier wordt rekening gehouden met de opgebouwde Fiscale Oudedagsreserve (FOR) bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de Ioaz?

Bij de behandeling van de Ioaz in de Tweede Kamer is vastgesteld dat de opbouw van een oudedagsreserve van een zelfstandige volkomen vergelijkbaar is met de pensioenopbouw van een werknemer in loondienst. Dit betekent dus dat bij de vaststelling van het vermogen in het kader van de Ioaz geen rekening wordt gehouden met de opgebouwde FOR. Daarbij moet de zelfstandige wel eerder dan 3 jaar voor de Ioaz-aanvraag met de opbouw van de FOR zijn begonnen en moet deze FOR bij bedrijfsbeëindiging worden omgezet in een lijfrente.

Artikelnummer 8 - Waarderen bedrijfsgebouwen

Bij overdracht van landbouwgrond van ouders aan kinderen kan worden uitgegaan van de pachtwaarde. Worden de bedrijfsgebouwen ook gewaardeerd tegen de pachtwaarde?

Voor de bedrijfsgebouwen geldt in alle gevallen de waarde in het economisch verkeer.

Artikelnummer 8 - Waardering bedrijfswoning zoon

Op grond van de Regeling vermogenswaardering Ioaz wordt de zelf bewoonde eigen woning van de Ioaz-er gewaardeerd tegen 60% van de waarde in het economisch verkeer. Op sommige bedrijven maakt de woning, waarin de zoon woont, onderdeel uit van het bedrijfsvermogen. Kan deze woning ook worden gewaardeerd tegen 60% van de waarde in het economisch verkeer?

De waardering tegen 60% van de waarde in het economisch verkeer geldt alleen voor de zelfbewoonde woning van degene die een Ioaz-uitkering ontvangt. De woning van de zoon die het bedrijf overneemt, dient derhalve te worden gewaardeerd tegen de volle waarde in het economisch verkeer.

Artikelnummer 8 - Waardering woning

Kan bij het vaststellen van de waarde van de zelfbewoonde eigen woning worden uitgegaan van de WOZ-waarde die door de gemeente is geaccepteerd?

Voor de waarde van de zelfbewoonde woning mag niet worden uitgegaan van de WOZ-waarde. Uitgangspunt is de waarde in het economisch verkeer op de beëindigingsdatum, doch in de praktijk komt dit inmiddels wel neer op de WOZ waarde aangezien de waarde in het kader van de WOZ inmiddels een maal per jaar wordt vastgesteld.

Artikelnummer 8 - Waardering woning en echtscheiding

Client vraagt IOAZ aan. Hij ligt in scheiding. ze wonen al een jaar gescheiden van tafel en bed. Client heeft samen met zijn ex partner een woning, die door de (ex-)partner wordt bewoond. Zij betaalt de hypotheek. Hoe moet ik het vermogen van de woning vaststellen. Moet ik nog rekening houden met de 40% verlaging? Client heeft samen met zijn (ex)vrouw nog een en/of rekening. Zij stort daar iedere maand geld op, zodat de hypotheek daarvan betaald kan worden. Client heeft nog de beschikking over dit rekeningnummer, maar geeft aan hier alleen gebruik van te maken als er cadeaus voor de kinderen moeten worden gekocht. Heeft dit nog enige invloed op het recht op IOAZ?

Je moet uitgaan van de werkelijke situatie en het betreft hier een woning die niet door hem wordt bewoond. 100% van zijn aandeel van de overwaarde is vermogen.

Artikelnummer 8 - Waardering grond

Kan de waarde in verpachte staat worden gebaseerd op gegevens van de Grondkamer of op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek?

De waarde in verpachte staat kan worden gebaseerd op gegevens van de Grondkamer.


Hoe moet de ondergrond van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen in het kader van de Ioaz gewaardeerd worden?

Ondergrond wordt niet los van de erop staande onroerende zaken gewaardeerd.

Artikelnummer 8 - Waarderen grond bij overdracht voor nevenactiviteit

Aanvrager wil de land- of tuinbouwgrond overdragen aan een van de kinderen. Deze wil de bestemming wijzigen (niet-agrarische doelen) c.q. de grond aanhouden voor agrarische nevenactiviteiten. Hoe moet worden gewaardeerd, waarde in het economisch verkeer of in verpachte staat?

In de Regeling vermogenswaardering Ioaz wordt expliciet gesproken over de waardering naar de waarde in verpachte staat bij overdracht van ouders aan kinderen en uittreding uit een samenwerkingsverband of rechtspersoon, bij voortzetting van het bedrijf als volwaardig bedrijf. Er dient in dit geval gewaardeerd te worden naar de waarde in het economisch verkeer.

Artikelnummer 8 - Waardering grond bij overdracht ouders/kinderen

Hoe wordt de grond gewaardeerd bij overdracht van ouders aan kinderen?

Zoals uit de Regeling vermogenswaardering Ioaz blijkt wordt de grond in dat geval gewaardeerd op basis van verpachte staat.

Artikelnummer 9 - Echtparengrondslag

Een echtpaar vraagt als man/vrouw-maatschap een Ioaz-uitkering aan. Ze zijn beiden zelfstandig. De vrouw is nog geen 55 jaar en voldoet derhalve niet aan de voorwaarden. Krijgt de man nu een Ioaz-uitkering op basis van de echtparengrondslag?

Als het bedrijf wordt beëindigd en ook de vrouw haar bedrijf beëindigt, krijgt de man een Ioaz-uitkering op basis van de echtparengrondslag.

Artikelnummer 9 - Veranderingen na definitieve vaststelling

Hoe om te gaan met veranderingen die ontstaan nadat het Ioaz-advies is uitgebracht? Situatie, stel: aanvrager heeft aanvraag ingediend op 15 juli; heeft bedrijf beëindigd per 15 september; gaat per 15 oktober samenwonen. Dient voor de vermogensbepaling ook het vermogen van de toekomstige partner (15 oktober) te worden opgevraagd en verdisconteerd in de rapportage?

De definitieve vermogenstoets vindt plaats op het moment dat het bedrijf daadwerkelijk wordt beëindigd. Op dat moment is er sprake van een alleenstaande zelfstandige en wordt alleen met zijn vermogen rekening gehouden.


Wat gebeurt met de Ioaz-uitkering op het moment dat de uitkeringsgerechtigde officieel gaat samenwonen?

De uitkeringsgerechtigde is dan geen alleenstaande meer, maar ‘echtpaar’. De uitkering wordt daarop aangepast. Inkomen van de nieuwe partner speelt hierbij een rol.

Stel hier jouw vraag aan de helpdesk







Jouw gegevens zijn veilig. We zullen ze nooit aan derden verstrekken.



Back To Top