skip to Main Content

Verzamelbrief 2016-2: Eindheffing bij omzetting renteloze lening en vaststelling macronorm

2. Experimenten met de Participatiewet

Sinds september 2015 werken de vier initiatiefgemeenten (Groningen, Tilburg, Wageningen en Utrecht) met SZW aan de totstandkoming van de mogelijkheid te experimenteren met de Participatiewet. De voorhangprocedure van het ontwerpbesluit Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet1 (AMvB) bij de Staten-Generaal is afgerond. Er is één motie aangenomen die de regering oproept om gemeenten zoveel mogelijk ruimte te geven binnen de kaders van de AMvB.

Het ontwerpbesluit ligt momenteel voor advies bij de Raad van State. Ik streef ernaar dat het besluit en de bijhorende ministeriële regeling 1 maart 2017 inwerking treden, onder voorbehoud van het advies van de Raad van State. Gemeenten kunnen formeel een verzoek indienen, nadat de AMvB inwerking is getreden. Ik waardeer het zeer dat een aantal gemeenten belangstelling heeft getoond voor deelname aan de experimenten. Deze kennisgevingen gelden niet als formele verzoeken. Aangezien diverse gemeenten geïnteresseerd zijn in de experimenten en hier vragen over stellen informeer ik u in bijlage 1. nader over de experimenten.

5.Eindheffing bij omzetting renteloze lening Bbz

Met betrekking tot de problematiek van het ‘papieren inkomen’ bij personen bij wie op grond van het Besluit bijstand zelfstandigen 2004 (Bbz) de voorlopige lening ter voorziening in levensonderhoud is omgezet in bijstand om niet is op 5 juli 2016 door de staatssecretaris van Financiën, mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een brief gestuurd aan de Tweede Kamer (zie Kamerstukken II 2015/16, 31 066, nr. 293). Alles afwegende is gekozen voor de eindheffingsvariant als meest verkieslijke oplossing. Deze variant biedt een structurele oplossing voor het papieren inkomen en treedt op 1 januari 2017 in werking.

  • Om dit te regelen wordt aan artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting (URLB) 2011 per 1 januari 2017 een onderdeel toegevoegd. Daarin wordt krachtens artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet LB 1964 geregeld dat omzettingen ingevolge het Bbz van in de vorm van een renteloze lening verstrekte algemene bijstand in een bedrag om niet worden aangewezen als uitkeringen van publiekrechtelijke aard. Deze uitkeringen worden buiten aanmerking gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen.
  • Met deze aanwijzing wordt een maatregel getroffen gericht op het wegnemen c.q. beperken van de problematiek van het ‘papieren inkomen’ van zelfstandigen in het Bbz. Het inkomen van zelfstandigen die terugvallen op algemene bijstand (Bbz) en waarvan de lening door de gemeente wordt omgezet in een bedrag om niet wordt in de praktijk aangeduid als ‘papieren inkomen’ omdat pas bij de omzetting sprake is van het fiscaal genieten van het bedrag dat eerst in de vorm van een lening is verstrekt. Door het fiscale genietingsmoment op het moment van omzetting wordt ook het toetsingsinkomen voor het recht op toeslagen pas in dat jaar beïnvloed.
  • Een gemeente kan, als uitkeringsinstantie van de algemene bijstand (Bbz), besluiten om een renteloze geldlening die is verstrekt als algemene bijstand ter voorziening in het levensonderhoud om te zetten in een bedrag om niet. Tot 1 januari 2017 leidt de omzetting tot inkomen voor de betrokkene in het jaar van omzetting.
  • Met ingang van 1 januari 2017 wijzigt dit en is een gemeente in zo’n geval eindheffing verschuldigd over het bedrag van de omzetting en is er geen sprake meer van inkomen voor de betrokkene. Omdat sprake is van eindheffing, maakt het bedrag van de omzetting voor de betrokkene dan geen deel uit van het toetsingsinkomen voor toeslagen. Ook heeft de omzetting dan geen effect op andere inkomensafhankelijke regelingen voor de betrokkene.

6.Vaststelling macronorm baten kapitaalverstrekking Bbz voor het jaar 2017

Met ingang van het jaar 2013 zijn de baten bijstand bedrijfskapitaal genormeerd op basis van een landelijk gemiddelde (Stct. 2012 nr. 21795, 25 oktober 2012). Dit landelijke gemiddelde, de macronorm, is vastgesteld aan de hand van de som van de baten in verband met de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal van alle gemeenten over vijf jaren, gedeeld door de som van de lasten in verband met verleende bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal van alle gemeenten over diezelfde vijf jaren.

Uit de gemeentelijke verantwoordingen blijkt dat gemeenten relatief meer geld terugvorderen uit de verstrekte leningen. Van iedere verstrekte euro kwam vroeger slechts gemiddeld 54,9 cent aan rente en aflossing terug (baten als aandeel van de lasten over de jaren 2007 t/m 2011). Inmiddels komt van iedere verstrekte euro nu 90,8 cent aan rente en aflossing terug (baten als aandeel van de lasten over de jaren 2011 t/m 2015). De invoering van de genormeerde baten lijkt daarmee een bijdrage te leveren aan de gestelde doelen: een beter kredietbeheer door gemeenten en meer selectiviteit bij het verstrekken van leningen.

Door toepassing van de in de Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004 opgenomen systematiek zou de macronorm voor het jaar 2017 moeten worden vastgesteld op 90,8%. De VNG heeft aandacht gevraagd voor de gevolgen van deze relatief sterke verhoging van het normpercentage voor de kredietverstrekking bedrijfskapitaal Bbz. Op het ogenblik wordt nader onderzoek gedaan naar het effect van de ingevoerde normbaten en de verschillen tussen gemeenten, zodat de lasten en baten kwalitatief en kwantitatief kunnen worden geduid. Omdat er begrip is voor de zorgen van de VNG, is in afwachting van de onderzoeksresultaten de macronorm voor het jaar 2017 vastgesteld op 77,0%, het gemiddelde van de macronorm voor het jaar 2016 van 63,3% en het laatst gerealiseerde percentage van 90,8%. De regeling is gepubliceerd in de Staatscourant van 9 december 2016.

22. Nieuw instrument voor gemeenten om bijstandsgerechtigden in de wanbetalersregeling te helpen

Op 12 juli 2016 is de ministeriële regeling in werking getreden over de voorwaarden, waaronder een bijstandsgerechtigde die zorgpremie moet betalen aan het Zorginstituut Nederland (de wanbetalersregeling) kan uitstromen en terug kan keren naar de zorgverzekeraar. Hiermee hebben gemeenten een nieuw instrument om bijstandsgerechtigden met zorgschulden te helpen.

Naast de regeling is door gemeenten en zorgverzekeraars een modelovereenkomst ontworpen waarin is opgenomen op welke wijze zorgverzekeraars en gemeenten deze uitstroom kunnen organiseren. Deze modelovereenkomst geeft een handvat om samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten makkelijker te maken. Alle zorgverzekeraars hebben toegezegd zich te houden aan deze modelovereenkomst. Belangrijk element voor uitstroom is dat gemeenten de zorgpremie en een bedrag ter aflossing van de schuld bij de zorgverzekeraar inhouden op de uitkering en doorbetalen aan de zorgverzekeraar. Als de regeling succesvol ten einde komt wordt de restschuld door de zorgverzekeraar kwijtgescholden.

Op de website van het Zorginstituut Nederland vindt u nadere informatie wat dit betekent als u bent aangeschreven als uitkeringsinstantie, alsmede de modelovereenkomst.

De Zorgverzekeringslijn
De Zorgverzekeringslijn.nl is een initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en geeft advies over het voorkomen en oplossen van zorgverzekeringsschulden, alsmede voorlichting over de mogelijkheid om bijstandsgerechtigden uit te laten stromen uit de wanbetalersregeling. De Zorgverzekeringslijn.nl beschikt over cijfers van wanbetalers in uw gemeente. Wilt u een uitgebreide rapportage ontvangen over de achtergrondkenmerken van de wanbetalers in uw gemeente of meer informatie over de uitstroomregeling? Neem dan contact op via telefoonnummer 088 900 69 60 of e-mail info@zorgverzekeringslijn.nl.

Bijlage 1- Experimenten met de Participatiewet (par. 2)

Het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet5 (AMvB) zal na inwerkingtreding mogelijk maken dat gemeenten kunnen experimenteren met de Participatiewet, met als doel om te onderzoeken wat het beste werkt om uitstroom naar werk te realiseren. De AMvB ligt momenteel voor advies bij de Raad van State. Ik streef ernaar dat het besluit en de bijhorende ministeriële regeling 1 maart 2017 inwerking treden, onder voorbehoud van het advies van de Raad van State. De AMvB schrijft voor dat gemeenten worden aangewezen op basis van een schriftelijk verzoek, waarin onder meer een plan van aanpak en een wetenschappelijk onderbouwde analyse en opzet is opgenomen. Het onderzoeksvoorstel zal getoetst worden aan het wetenschappelijk beoordelingskader.

Waarmee kunnen gemeenten experimenteren?

Er kan geëxperimenteerd worden met een gedeeltelijke vrijlating van inkomsten uit arbeid van 50% van de inkomsten gedurende 24 maanden. De maximale vrijlating is €199 per maand voor alleenstaanden en €142 voor gehuwden gezamenlijk. Daarnaast, en geheel los daarvan, kan geëxperimenteerd worden met het tijdelijk loslaten en juist intensiveren van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, waarmee het hele spectrum van verplichtingen kan worden onderzocht.

In alle experimenten dient er een controlegroep te zijn van deelnemers aan het experiment en een referentiegroep van bijstandsgerechtigden die zich niet aanmelden voor het experiment. Ik verwijs u graag naar het ontwerpbesluit en de toelichting voor de nadere uitleg over deze onderzoeksgroepen en bijhorende bepalingen.

Maximale deelname

Maximaal 25 gemeenten (tot maximaal 4% van de bijstandspopulatie) kunnen deelnemen.
Het maximum van 4% gaat over alle deelnemers aan de experimenten, inclusief de controlegroep en exclusief de referentiegroep.

Selectie van gemeenten

Het ontwerpbesluit stelt dat er nadere regels komen over de wijze van selectie om gemeenten aan te wijzen. Momenteel werk ik aan het ontwerp van een ministeriële regeling. Onder voorbehoud van het definitieve besluit – mede afhankelijk het advies van de Raad van State – informeer ik u over de uitgangspunten die ik wil hanteren bij het aanmeld- en selectieproces. De vier initiatiefgemeenten Groningen, Tilburg, Utrecht en Wageningen krijgen voorrang. Voor de overige gemeenten geldt de volgorde van binnenkomst bij de toewijzing, tot het maximum is bereikt. Gemeenten kunnen samenwerken en één gezamenlijk verzoek indienen.

Financiering en vangnetuitkering

De kosten voor het experiment, zowel de uitvoeringskosten als de (extra) uitkeringslasten, worden gedragen door de gemeente die een aanvraag indient die geaccepteerd wordt. SZW vraagt en financiert ZonMw voor de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen en voor het monitoren van de onderzoeken en het clusteren van onderzoeksresultaten na afloop van de experimenten.

Het recht op een vangnetuitkering hangt onder meer af van de hoogte van het tekort (over 2016: groter dan 5% van het Pw-budget of meer dan €30 per inwoner) en de vraag of bestedingen rechtmatig zijn. Indien de experimenten conform de AMvB worden uitgevoerd zijn de daarmee verband houdende bestedingen rechtmatig en verandert dat niets voor het recht op een vangnetuitkering.

Inwerkingtreding

Conform het ontwerpbesluit kunnen gemeenten maximaal twee jaar van de wet afwijken ten behoeve van experimenten. Die twee jaar vallen binnen een periode van drie jaar vanaf inwerkingtreding van het besluit. Het is daarom van belang om in overleg met gemeenten een werkbare datum voor inwerkingtreding af te spreken.

Back To Top