skip to Main Content

Jurisprudentie Bbz

Onderstaand overzicht bevat een selectie van uitspraken. De jurisprudentie is gerangschikt op artikelnummer. Subnummering en rubricering is gebruikt om onderscheid te maken tussen thema’s binnen een bepaald wetsartikel.

Artikel 1 Bbz – levensvatbaar
LJN: BU9038, Centrale Raad van Beroep, 131211 Afwijzing aanvraag bijstand. Bezwaar niet-ontvankelijk. Het Dagelijks Bestuur heeft niet in redelijkheid kunnen komen tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift. Ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift werkelijk door of namens de indiener is opgesteld. Desgevraagd heeft het Dagelijks Bestuur ter zitting bevestigd dat hij niet heeft getwijfeld aan de identiteit van appellant als afzender van de brief. De brief, waarin staat vermeld dat appellant zich niet kan verenigen met het besluit, had in het onderhavige geval moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift, en als zodanig moeten worden beoordeeld. Vernietiging aangevallen uitspraak. De Raad voorziet zelf. Het Dagelijks Bestuur heeft terecht aangenomen dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf zodat de aanvraag van appellant terecht is afgewezen. Bezwaar ongegrond.

LJN: BR3546, Centrale Raad van Beroep, 260711 Afwijzing aanvraag bijstand in de vorm van een rentedragende lening omdat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Het advies van het IMK is niet op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en bevat geen feitelijke onjuistheden. Wel kan de Raad appellant volgen in zijn betoog dat de in het advies gemaakte vergelijking tussen zijn bedrijf en dat van enkele relevante marktleiders als Google en Marktplaats vanwege de omvang van het bedrijf van appellant in verhouding tot die marktleiders niet opgaat. Gelet op de onderbouwing van het advies van het IMK voor het overige, ziet de Raad daarin evenwel geen grond voor het oordeel dat de conclusie van het IMK over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant (uiteindelijk) niet deugdelijk is gemotiveerd. Appellant heeft geen objectieve gegevens, zoals een deskundig tegenadvies, overgelegd die zijn stelling, dat wél sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen.

LJN: BR3289, Centrale Raad van Beroep, 260711 Afwijzing aanvraag ingevolge de WWB en het Bbz 2004 ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Het bedrijf van appellant is niet levensvatbaar.

LJN: BQ3046, Centrale Raad van Beroep, 260411 Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Geen sprake van een levensvatbaar bedrijf.

LJN: BM1411, Centrale Raad van Beroep, 060411 Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Er is geen sprake van een startende ondernemer, maar van een doorstart van de salsadansschool die hij eerder heeft gestaakt. Naar het oordeel van de Raad is de door appellant gestelde levensvatbaarheid van zijn bedrijf voornamelijk gebaseerd op zijn verwachtingen daaromtrent, hetgeen onvoldoende basis is voor het toekennen van bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal en ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

LJN: BP9070, Centrale Raad van Beroep, 080311 Afwijzing verzoek om aanvraag van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de adviezen van VuurKracht en Marnecs op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, feitelijke onjuistheden bevatten of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Het bedrijf van appellant is als niet levensvatbaar aan te merken.

LJN: BO2818, Centrale Raad van Beroep, 261010 Afwijzing aanvraag (in 2007) voor een uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Procesbelang. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het primaire besluit op de aanvraag, dus op 23 april 2007( LJN BD8559 en LJN BK3324). Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als de onderhavige gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als IMK.

LJN: BN8701, Centrale Raad van Beroep, 280910 Afwijzing aanvraag ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de Bbz. Terecht beoordeeld dat het te startte bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Besluitvorming terecht gebaseerd op het adviesrapport van het IMK. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

LJN: BN1341, Centrale Raad van Beroep, 130710 Afwijzing aanvraag ingediend om bedrijfskapitaal en algemene bijstand op grond van het Bbz 2004. Bedrijf is niet levensvatbaar. Een bijstandsverlenend orgaan is gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op een in het concrete geval verkregen advies van een deskundige instantie. Het IMK kan als een zodanige instantie worden aangemerkt. Niet gebleken dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.

LJN_BM3576, Centrale Raad van Beroep 040510 Afwijzing aanvraag ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Niet levensvatbaar bedrijf. De Raad is niet gebleken dat het advies van de FBA Adviesgroep op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Bij de totstandkoming van het advies was geen sprake van vooringenomenheid van de adviseur. Appellante is ermee akkoord gegaan dat het onderzoek is verricht door een andere adviseur dan degene die naar aanleiding van een eerdere aanvraag van appellante heeft geadviseerd.

LJN: BL3332, Centrale Raad van Beroep, 260110 Vaststelling nettoinkomen. Het College heeft terecht het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 als uitgangspunt genomen voor de berekening van het nettoinkomen. Dat appellante meer heeft afgelost op een in verband met de goodwill staande schuld aan de vorige eigenaar van het eetcafé dan het bedrag van de uit de jaarstukken 2005 blijkende afschrijving van de boekwaarde van de goodwill, betekent niet dat het meerdere in mindering moet worden gebracht op het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming in 2005. Het gaat hier niet zozeer de vaststelling van het nettoinkomen uit de onderneming van appellante, maar veeleer de besteding van dat inkomen. Het Bbz 2004 en de Wet op de inkomstenbelasting 2001 hanteren niet hetzelfde begrip inkomen.

LJN_BK9638, Centrale Raad van Beroep 050110 Afwijzing aanvraag ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De Raad heeft onder de gedingstukken geen objectieve gegevens – zoals een deskundig tegenadvies – aangetroffen die de stelling van appellant dat wél sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen.

LJN BK8338 Centrale Raad van Beroep 151209 Verstrekking voorschotten in de algemene kosten van het bestaan en voor enkele bijzondere bestaanskosten. Afwijzing aanvraag bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Niet levensvatbaar bedrijf.

LJN: BJ5490, Centrale Raad van Beroep, 040809 Afwijzing aanvraag om bedrijfskapitaal en voor levensonderhoud ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Bbz 2004 kan aan de zelfstandige die een bedrijf begint dat levensvatbaar is algemene bijstand en/of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling betekent dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van instanties als het FCBV. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval geen grond is voor de conclusie dat het College niet op het advies van het FCBV, en de overwegingen die tot dat advies hebben geleid, had mogen afgaan. De Raad is niet gebleken dat de rapportage van FCBV op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of dat het advies ondeugdelijk is gemotiveerd. De Raad onderschrijft voorts de vaststelling van de rechtbank dat appellant met ingang van 29 maart 2006 niet langer in de gemeente Rotterdam woonplaats had. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB had appellant daarom per die datum geen recht op bijstand meer jegens het College. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 29 maart 2006 tot en met 30 april 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in te trekken en de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van hem terug te vorderen. Geen sprake van dringende redenen.

LJN: BJ1264, Rechtbank Amsterdam 070509 Uitkering ingevolge de Bbz. De uitkering is terecht geweigerd op de grond dat het bedrijf van de betrokkene niet levensvatbaar is gebleken. Geen grond voor het oordeel dat het aan het besluit ten grondslag liggende advies van de FBA Adviesgroep ondeugdelijk tot stand is gekomen dan wel dat de aan de betrokkene geboden begeleiding ondeugdelijk is geweest.

LJN: BH6265, Centrale Raad van Beroep, 0303009 Afwijzing aanvraag uitkering op grond van het Bbz 2004. Niet levensvatbaar bedrijf en voortzetting van bedrijfsmatige activiteiten op grond van het bestemmingsplan is niet mogelijk. Toekenning leenbijstand. Procesbelang. Vergoeding van kosten in bezwaar. Proceskostenveroordeling.

LJN: BK3324, Centrale Raad van Beroep, 270209 Afwijzing aanvraag om bijstand voor een krediet en/of levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het College zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van het IMK. De Raad verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat het negatieve advies van het IMK niet gebaseerd is op een oordeel omtrent de vakmatige kwaliteiten van appellant, maar omtrent diens kwaliteiten als beginnende ondernemer. Dat het IMK op dat laatste terrein voldoende expertise heeft, is niet bestreden, zodat het hoger beroep van appellant faalt.

LJN: BH4518, Centrale Raad van Beroep, 170209 Afwijzing aanvraag uitkering Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen situatie aanwezig is waarin het College niet op het advies van het IMK had mogen afgaan en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

LJN: BG8996, Centrale Raad van Beroep, 231208 Afwijzing aanvraag Bbz-uitkering voor kosten van levensonderhoud en de behoefte aan bedrijfskapitaal. Niet levensvatbaar bedrijf. De gemeente is in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK.

LJN: BG4467, Centrale Raad van Beroep, 111108 Weigering bijstandsuitkering. 1)Geen aanleiding voor rechtbank zelf in zaak te voorzien. Weigering vergoeding kosten rechtsbijstand. Nauwe familierelatie. Weigering reis- en verletkosten. 2)Rechtbank heeft gezien 6:18, en 6:19, Awb ten onrechte beslist op nader besluit. 3)Zelfstandige in de zin van de toepasselijke bijstandswetgeving? Voldaan aan criteria? Levensvatbaarheid bedrijf? Strijd met Internationale verdragen? Geen bepalingen opgenomen die een 100% van het wettelijk minimuminkomen in Nederland waarborgen. Weigering schadevergoeding.

LJN: BG4219, Centrale Raad van Beroep, 111108 Afwijzing aanvraag uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat de te starten onderneming niet levensvatbaar is te achten.

LJN BC6310, Centrale Raad van Beroep 110308 Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen die niet levensvatbaar zal zijn.

LJN BC1546, CentraleRaadvan Beroep 311207 Afwijzing aanvraag bijstandsverlening zelfstandigen. Bedrijf niet levensvatbaar.

LJN AZ1841, Rechtbank Almelo 071106 Eiser heeft op 1 maart 2004 een aanvraag ingediend voor algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (hierna: Bbz). Het gevraagde bedrijfskapitaal bedraagt €30.000,-. In het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan is aangegeven dat het te starten bedrijf waarvoor dit bedrag wordt gevraagd een ambulante handel in Iraans houdbaar food en nonfood is. Van deskundigenadvies afwijkend besluit.

LJN BB7242, Centrale Raad van Beroep 061107 Afwijzing aanvraag uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

LJN AZ3949, Centrale Raad van Beroep 051206 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Is het College op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de onderneming van betrokkene niet levensvatbaar was?

LJN AV8372, Centrale Raad van Beroep 280306 Afwijzing bijstand in de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan en ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal voor te starten schildersbedrijf: niet levensvatbaar bedrijf.

LJN: AV6089, Rechtbank Rotterdam, 140306 Afwijzing aanvraag bijstand ten behoeve van bedrijfskapitaal. Onderzoek Regionaal Bureau Zelfstandigen naar levensvatbaarheid bedrijf. Beoordelingsmoment.

LJN AU0939, Centrale Raad van Beroep 090805 Aanvraag bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal afgewezen op de grond dat de onderneming van betrokkene niet levensvatbaar is.

LJN AT8516, Centrale Raad van Beroep 280605 Weigering bijstandsverlening zelfstandigen in de vorm van bedrijfskapitaal voor (her)starten circus. Is onderneming levensvatbaar?

LJN AS3137, Centrale Raad van Beroep 110105 Is terecht afwijzend beslist op de aanvraag ter voorziening in bedrijfskapitaal op de grond dat het bedrijf van betrokkene niet levensvatbaar is?

LJN AP1698, Centrale Raad van Beroep 010604 Aanvraag ingevolge de Abw en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) om bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal alsmede een periodieke uitkering ter voorziening in de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan.

LJN AO6642, Centrale Raad van Beroep 230304 Afwijzing aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Is terecht aangenomen dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz?

Artikel 1 Bbz – doelgroep
LJN: BU9798, Rechtbank ‘s-Gravenhage 141211 Aanvraag Bbz voor algemene kosten van het bestaan. Arbeidsongeschikte zelfstandigen (zoals eiser) die na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en niet langer een beroep kunnen doen op de Waz, kunnen geen aanspraak meer maken op bijstand ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004. Voor deze categorie zelfstandigen is in het Bbz evenmin een aparte voorziening getroffen. De mogelijkheid om artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004 analoog toe te passen op arbeidsongeschikte zelfstandigen die geen aanspraak meer hebben op de Waz, maar die zich wel particulier tegen arbeidsongeschiktheid hebben verzekerd, ligt niet voor de hand en zou, aldus de rechtbank, met de bedoeling van de wetgever in strijd zijn.

LJN: BT7680, Centrale Raad van Beroep, 111011 Weigering bijstandsuitkering toe te kennen. Kortsluiting. Verzoeker is directeur van een stichting. De beschikbare gegevens bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat verzoeker in het kalenderjaar 2010 in totaal ten minste 1225 uren werkzaam is geweest. De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek in een bedrijf rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Verzoeker draagt ook mede financiële risico’s van de onderneming. Verzoeker diende te worden aangemerkt als een zelfstandige, zodat hem geen recht toekwam op bijstand. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

LJN: BP2193, Centrale Raad van Beroep, 180111 De Raad ziet in de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding om ten aanzien van de schulden een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting aan te nemen.

LJN: BN8194, Rechtbank Arnhem 230910 Afwijzing aanvraag om bijstand ingevolge de Wwb en het Bbz 2004, omdat eiseres over een vermogen beschikte dat niet noodzakelijk was voor de uitoefening van het eigen bedrijf. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft getoetst aan de bepalingen van het Bbz 2004, aangezien eiseres, gelet op artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbz 2004 dient te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Een afzonderlijke beoordeling van de aanvraag op grond van de Wwb diende in dit geval achterwege te worden gelaten. Evenwel heeft verweerder in strijd met (de strekking van) artikel 7 van het Bbz 2004 gehandeld, nu het vermogen van eiseres wel voor de uitoefening van haar bedrijf of haar beroep noodzakelijk is. Het vermogen van eiseres staat derhalve niet in de weg aan bijstandverlening op grond van het Bbz 2004. De aanvraag is ten onrechte afgewezen. Beroep wordt gegrond verklaard.

LJN BC2719, Rechtbank Arnhem 250108 Bescheiden schaler – Verweerder heeft aan de bijstandsverlening aan eiseres de verplichting verbonden dat eiseres haar werkzaamheden als zelfstandig beperkt tot maximaal 8 uren per week dan wel 32 uren per maand. Verweerder baseert zich hierbij op het in zijn gemeente gevoerde beleid. De rechtbank oordeel dat nu eiseres geen zelfstandige is in de zin van het Bbz 2004, zij behoort tot de kring van personen die onder de werking van de WWB vallen. In deze wet is geen steun te vinden voor het beleid waarbij bijstandsgerechtigden die op kleine schaal als zelfstandige werken, worden verplicht deze activiteiten te beperken in tijd. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Eiseres zal wel moeten voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

LJN BB4026, Centrale Raad van Beroep 210807 Bescheiden schaler – Zelfstandige? Weigering aanvraag bijstand. Niet mogelijk om 25 uur te werken als zelfstandige met behoud van uitkering. Gemeentelijk beleid.

LJN_BA9368 Rechtbank s-Hertogenbosch 120607 In de WWB is geen grondslag aan te wijzen voor een verbod op het verrichten van werkzaamheden als taaltrainer en evenmin voor een verplichting tot het terugbetalen van reeds ontvangen cursusgelden aan cursisten. Hoewel verweerder daartoe niet bevoegd was, heeft hij beoogd een rechtsgevolg in het leven te roepen. Derhalve is er sprake van een besluit ex artikel 1:3 van de Awb. Verweerder heeft eiser dan ook terecht in bezwaar ontvangen. Nu er geen grondslag in de wet is voor het primaire besluit, had verweerder het bezwaar gegrond dienen te verklaren.

Artikel 1 Bbz – urencriterium
LJN: BM1431, Centrale Raad van Beroep, 060410 Afwijzing aanvraag om algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004. Appellanten hebben niet aangetoond dat appellant aan het urencriterium van het Bbz voldeed en dat het bedrijf van appellant levensvatbaar was in de zin van artikel 1, onder c, van het Bbz 2004. Er bestaat ook geen aanleiding om te oordelen dat het College de aanvraag van appellanten ten onrechte niet ook als een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB heeft aangemerkt.

LJN_BL0270 Gerechtshof Arnhem 120110 Inkomstenbelasting. Ondernemer met dienstbetrekking slaagt in bewijs inzake urencriterium.

LJN BH1995 Gerechtshof Amsterdam 110209 Belanghebbende is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij aan het urencriterium heeft voldaan. Geen recht op zelfstandigenaftrek.

LJN BH2296 Gerechtshof 090209 Belanghebbende heeft een aantal functies bekleed in het openbaar bestuur, maar ziet op enig moment aankomen dat dat wel eens kan aflopen en begint zich te orienteren op het starten van een eigen bedrijf. Daarnaast heeft zij samen met haar man een handel in Indonesische meubelen. In geschil is de vraag of belanghebbende voldoende uren heeft gemaakt in beide ondernemingen tezamen om aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek, en in het onderhavige jaar dus ook de startersaftrek, te voldoen. Het Hof loopt nauwkeurig alle agenda’s door, acht de verklaring van belanghebbende voor verschillen geloofwaardig en komt tenslotte net aan de vereiste 1225 uur. Hoger beroep gegrond.

LJN: BC2719, Rechtbank Arnhem 250108 Verweerder heeft aan de bijstandsverlening aan eiseres de verplichting verbonden dat eiseres haar werkzaamheden als zelfstandig beperkt tot maximaal 8 uren per week dan wel 32 uren per maand. Verweerder baseert zich hierbij op het in zijn gemeente gevoerde beleid. De rechtbank oordeel dat nu eiseres geen zelfstandige is in de zin van het Bbz 2004, zij behoort tot de kring van personen die onder de werking van de WWB vallen. In deze wet is geen steun te vinden voor het beleid waarbij bijstandsgerechtigden die op kleine schaal als zelfstandige werken, worden verplicht deze activiteiten te beperken in tijd. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Eiseres zal wel moeten voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

LJN: BC2398, Centrale Raad van Beroep, 150108 Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Zelfstandige? Onvoldoende onderzoek naar urencriterium. Aan de hand van overlegde gegevens wordt niet voldoende inzicht gegeven omtrent de financiele situatie van de aanvrager. Instandlaten van de rechtsgevolgen.

LJN: AT1599, Rechtbank Almelo 170305 Verzoekers hebben een aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) voor de kosten van levensonderhoud alsmede een bedrijfskrediet ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal ingediend.

Artikel 2 Bbz
LJN: BV0124, Centrale Raad van Beroep, 271211 Afwijzing aanvraag Bbz-uitkering. Het College heeft terecht besloten dat het bedrijf van appellanten, beoordeeld naar de situatie ten tijde van het besluit , niet levensvatbaar was. De op zichzelf juiste constatering dat het door het College ingeschakelde adviesbureau geen specifieke kennis heeft van de branche van appellant, doet geen afbreuk aan de deskundigheid van dit adviesbureau op het terrein van het verrichten van bedrijfseconomische analyses van bedrijven. Het besluit is zorgvuldig voorbeid. Appellanten hebben geen objectieve gegevens overgelegd die hun stelling dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen.

LJN: BU9798, Rechtbank ‘s-Gravenhage 141211 Aanvraag Bbz voor algemene kosten van het bestaan. Arbeidsongeschikte zelfstandigen (zoals eiser) die na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en niet langer een beroep kunnen doen op de Waz, kunnen geen aanspraak meer maken op bijstand ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004. Voor deze categorie zelfstandigen is in het Bbz evenmin een aparte voorziening getroffen. De mogelijkheid om artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004 analoog toe te passen op arbeidsongeschikte zelfstandigen die geen aanspraak meer hebben op de Waz, maar die zich wel particulier tegen arbeidsongeschiktheid hebben verzekerd, ligt niet voor de hand en zou, aldus de rechtbank, met de bedoeling van de wetgever in strijd zijn.

LJN: BU9038, Centrale Raad van Beroep, 131211 Afwijzing aanvraag bijstand. Bezwaar niet-ontvankelijk. Het Dagelijks Bestuur heeft niet in redelijkheid kunnen komen tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift. Ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift werkelijk door of namens de indiener is opgesteld. Desgevraagd heeft het Dagelijks Bestuur ter zitting bevestigd dat hij niet heeft getwijfeld aan de identiteit van appellant als afzender van de brief. De brief, waarin staat vermeld dat appellant zich niet kan verenigen met het besluit, had in het onderhavige geval moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift, en als zodanig moeten worden beoordeeld. Vernietiging aangevallen uitspraak. De Raad voorziet zelf. Het Dagelijks Bestuur heeft terecht aangenomen dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf zodat de aanvraag van appellant terecht is afgewezen. Bezwaar ongegrond.

LJN: BU1947, Centrale Raad van Beroep, 181011 Afwijzging aanvraag voorbereidingskrediet omdat appellant niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 2 van het Bbz 2004. De Raad is van oordeel dat de weigering van het voorbereidingskrediet op de grond dat appellant geen algemene bijstand ontvangt in de gegeven omstandigheden niet tot effect heeft dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). De Raad neemt daarbij in aanmerking dat (betrokkene) met haar uitkeringen beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant en haarzelf.

LJN: BT7680, Centrale Raad van Beroep, 111011 Weigering bijstandsuitkering toe te kennen. Kortsluiting. Verzoeker is directeur van een stichting. De beschikbare gegevens bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat verzoeker in het kalenderjaar 2010 in totaal ten minste 1225 uren werkzaam is geweest. De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek in een bedrijf rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Verzoeker draagt ook mede financiële risico’s van de onderneming. Verzoeker diende te worden aangemerkt als een zelfstandige, zodat hem geen recht toekwam op bijstand. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

LJN: BT6836, Centrale Raad van Beroep, 270911 Beëindiging en hervatting bedrijfsactiviteiten. Terugvordering renteloze lening omdat appellant niet bereid was te voldoen aan de verplichting zijn bedrijf uiterlijk op 27 september 2007 en daarna op 31 januari 2008 te beëindigen. Toekenning bijstand. Diverse periodes. Het College kon onder de gegeven omstandigheden de bijstand over de periode van 28 maart 2007 tot en met 27 september 2007 niet meer terugvorderen op de grond dat appellant niet had voldaan aan de verplichting om uiterlijk op 27 september 2007 zijn bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Het College zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 28 september 2007 tot en met 31 januari 2008. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om over deze periode zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

LJN: BR3289, Centrale Raad van Beroep, 260711 Afwijzing aanvraag ingevolge de WWB en het Bbz 2004 ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Het bedrijf van appellant is niet levensvatbaar.

LJN: BM1411, Centrale Raad van Beroep, 060411 Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Er is geen sprake van een startende ondernemer, maar van een doorstart van de salsadansschool die hij eerder heeft gestaakt. Naar het oordeel van de Raad is de door appellant gestelde levensvatbaarheid van zijn bedrijf voornamelijk gebaseerd op zijn verwachtingen daaromtrent, hetgeen onvoldoende basis is voor het toekennen van bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal en ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

LJN: BP9070, Centrale Raad van Beroep, 080311 Afwijzing verzoek om aanvraag van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de adviezen van VuurKracht en Marnecs op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, feitelijke onjuistheden bevatten of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Het bedrijf van appellant is als niet levensvatbaar aan te merken.

LJN: BP7595, Centrale Raad van Beroep , 010311 Afwijzing aanvraag ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, berust op goede grodnen. Het door het IMK uitgebrachte advies houdt in dat het door appellant te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Appellant had een contra-expertise kunnen laten verrichten. Geen sprake van vooringenomenheid bij het IMK.

LJN: BP2976, Centrale Raad van Beroep, 250111 Oplegging arbeidsverplichtingen, omdat het voorbereidingsjaar van artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 is beëindigd als gevolg van het door appellant opzeggen van de samenwerking met het IMK. De Raad stelt vast dat het College, door in het geval van appellant een niet aangevangen voorbereidingsperiode te beëindigen, een niet bestaande bevoegdheid heeft gehanteerd. Het College had het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2008 dan ook gegrond moeten verklaren en dit besluit moeten herroepen. De Raad voorziet zelf en herroept het besluit. Geen schadevergoeding, aangezien niet is gebleken dat appellant als gevolg van de onderhavige besluitvorming schade heeft geleden.

LJN: BO2818, Centrale Raad van Beroep, 261010 Afwijzing aanvraag (in 2007) voor een uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 het te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Procesbelang. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het primaire besluit op de aanvraag, dus op 23 april 2007( LJN BD8559 en LJN BK3324). Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als de onderhavige gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als IMK.

LJN: BO2761, Centrale Raad van Beroep, 261010 1) Herziening bijstandsuitkering (2007). Besluit door rechtbank vernietigd. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op een nieuw besluit genomen waarbij de bijstand per kalendermaand is vastgesteld en het terug te vorderen bedrag is vastgesteld. Er is in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten (LJN BJ7733). Schending inlichtingenverplichting. Beroep tegen nieuwe besluit is ongegrond. 2) Verlaging bijstandsuitkering. Het College heeft eerst de bijstand over de maand januari 2008 verlaagd, vervolgens ingetrokken en ten slotte bijstand over die maand toegekend op een andere grondslag zonder verlaging toe te passen. Verlaging van bijstand is slechts mogelijk indien en voor zover er recht op bijstand bestaat. Het College was dus na de intrekking van de bijstand bij besluit van 28 februari 2008 met ingang van 1 januari 2008, niet meer bevoegd de bijstand over die maand te verlagen. Het College kon dus het besluit tot verlaging van bijstand in bezwaar niet handhaven. Daaraan doet niet af dat het College appellant nadien op andere grondslag bijstand heeft verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging besluit.

LJN: BO0497, Centrale Raad van Beroep, 051010 Terugvordering van aan zelfstandige in de vorm van renteloze lening verleende bijstand voor levensonderhoud wegens niet behoorlijk nakomen van uit de geldlening voortvloeiende inlichtingenverplichting. Als niet specifiek om inlichtingen en gegevens is verzocht kan niet op deze grond worden teruggevorderd. Aan na het primaire besluit verstrekte gegevens komt geen betekenis toe. Terugvordering van bedrijfskrediet kan niet worden gegrond op art. 47 van het Bbz 2004, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang.

LJN: BK1142, Centrale Raad van Beroep, 131009 Niet binnen de gestelde termijn de machtiging overlegd. Het bezwaar is terecht niet ontvankelijk verklaard.

LJN: BJ5490, Centrale Raad van Beroep, 040809 Afwijzing aanvraag om bedrijfskapitaal en voor levensonderhoud ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Bbz 2004 kan aan de zelfstandige die een bedrijf begint dat levensvatbaar is algemene bijstand en/of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling betekent dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van instanties als het FCBV. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval geen grond is voor de conclusie dat het College niet op het advies van het FCBV, en de overwegingen die tot dat advies hebben geleid, had mogen afgaan. De Raad is niet gebleken dat de rapportage van FCBV op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of dat het advies ondeugdelijk is gemotiveerd. De Raad onderschrijft voorts de vaststelling van de rechtbank dat appellant met ingang van 29 maart 2006 niet langer in de gemeente Rotterdam woonplaats had. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB had appellant daarom per die datum geen recht op bijstand meer jegens het College. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 29 maart 2006 tot en met 30 april 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in te trekken en de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van hem terug te vorderen. Geen sprake van dringende redenen.

LJN: BH8896, Centrale Raad van Beroep, 170309 Proceskostenvergoeding. Beroep tegen uitblijven van een besluit op bezwaar. Ten tijde instellen beroep was reeds op het bezwaar beslist, maar het besluit op bezwaar was nog niet aan belanghebbende bekendgemaakt.

LJN: BK3324, Centrale Raad van Beroep, 270209 Afwijzing aanvraag om bijstand voor een krediet en/of levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het College zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van het IMK. De Raad verenigt zich met dit oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat het negatieve advies van het IMK niet gebaseerd is op een oordeel omtrent de vakmatige kwaliteiten van appellant, maar omtrent diens kwaliteiten als beginnende ondernemer. Dat het IMK op dat laatste terrein voldoende expertise heeft, is niet bestreden, zodat het hoger beroep van appellant faalt.

LJN: BN8701, Centrale Raad van Beroep, 280910 Afwijzing aanvraag ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de Bbz. Terecht beoordeeld dat het te startte bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Besluitvorming terecht gebaseerd op het adviesrapport van het IMK. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

LJN: BN5011, Centrale Raad van Beroep, 240810 Terugvordering openstaande leenbijstand en de achterstallige rente in verband met bedrijfskredieten. Het besluit berust niet op een deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Appellant is uitstel van aflossing en betaling van rente verleend en is de maximale periode van uitstel verstreken. De stelling van appellant dat hij geen aflossingsverplichtingen meer heeft aan het College, kan de Raad evenals de rechtbank niet volgen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

LJN: BM3537, Centrale Raad van Beroep, 220410 Het bestuursorgaand is bevoegd de vergoeding van het sportschoolbezoek in het kader van de bijzondere bijstandsverlening zodanig te normeren dat appellant daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopst mogelijke adequate voorziening te treffen. Het recht op bijstandsverlening gedurende de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 is uitsluitend bedoeld voor personen die algemene bijstand ontvangen. Nu vaststaat dat appellant met ingang van 1 januari 2007 geen recht meer heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB, is een van de voorwaarden voor voortzetting van het recht op bijstandsverlening gedurende de voorbereidingsperiode komen te vervallen.

LJN: BL9030, Centrale Raad van Beroep, 020310 Afwijzing verlenging aanvullende BBZ-uitkering. De omstandigheid dat appellante door ziekte en persoonlijke omstandigheden haar bedrijf niet naar behoren kon voeren, waardoor zij in bijstandsbehoevende omstandigheden kwam te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor zij voorzieningen had kunnen treffen.

LJN: BK8151, Centrale Raad van Beroep, 221209 Inhoudsindicatie: 1) Terugvordering van de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 en de daarover verschuldigde rente. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. 2) Afwijzing verzoek om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal om acquisitiewerkzaamheden te bekostigen. Deze afwijzing berust op ondeugdelijke motivering. 3) Terugvordering verleende voorschotten algemene bijstand. Bevoegdheid tot terugvordering staat vast. Geen omstandigheden om af te zien van terugvordering.

LJN: BH6265, Centrale Raad van Beroep, 0303009 Afwijzing aanvraag uitkering op grond van het Bbz 2004. Niet levensvatbaar bedrijf en voortzetting van bedrijfsmatige activiteiten op grond van het bestemmingsplan is niet mogelijk. Toekenning leenbijstand. Procesbelang. Vergoeding van kosten in bezwaar. Proceskostenveroordeling.

LJN: BH4518, Centrale Raad van Beroep, 170209 Afwijzing aanvraag uitkering Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen situatie aanwezig is waarin het College niet op het advies van het IMK had mogen afgaan en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

LJN: BG7209, Rechtbank ‘s-Gravenhage 311008 Algemene bijstand krachtens het Bbz 2004 kan slechts worden afgewezen op de grond dat het bedrijf niet (langer) levensvatbaar is. In dit geval was niet in geschil dat het bedrijf levensvatbaar was. Het samenstel van bepalingen van het Bbz 2004 bood in het onderhavige geval geen grond voor afwijzing van de aanvraag om verlenging van algemene bijstand.

LJN: BB4026, Centrale Raad van Beroep, 210807 Zelfstandige? Weigering aanvraag bijstand. Niet mogelijk om 25 uur te werken als zelfstandige met behoud van uitkering. Gemeentelijk beleid.

LJN AY3861, Centrale Raad van Beroep 130706 Verzoek tot ontheffing van verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling. Aanvraag om met behoud van bijstandsuitkering gebruik te mogen maken van een voorbereidingsperiode als starter/zelfstandige?

LJN: AV6089, Rechtbank Rotterdam, 140306 Afwijzing aanvraag bijstand ten behoeve van bedrijfskapitaal. Onderzoek Regionaal Bureau Zelfstandigen naar levensvatbaarheid bedrijf. Beoordelingsmoment.

LJN: AT1599, Rechtbank Almelo 170305 Verzoekers hebben een aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) voor de kosten van levensonderhoud alsmede een bedrijfskrediet ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal ingediend.

Artikel 3 Bbz – Bedrag om niet en vermogen
LJN: BN8194, Rechtbank Arnhem 230910 Afwijzing aanvraag om bijstand ingevolge de Wwb en het Bbz 2004, omdat eiseres over een vermogen beschikte dat niet noodzakelijk was voor de uitoefening van het eigen bedrijf. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft getoetst aan de bepalingen van het Bbz 2004, aangezien eiseres, gelet op artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbz 2004 dient te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Een afzonderlijke beoordeling van de aanvraag op grond van de Wwb diende in dit geval achterwege te worden gelaten. Evenwel heeft verweerder in strijd met (de strekking van) artikel 7 van het Bbz 2004 gehandeld, nu het vermogen van eiseres wel voor de uitoefening van haar bedrijf of haar beroep noodzakelijk is. Het vermogen van eiseres staat derhalve niet in de weg aan bijstandverlening op grond van het Bbz 2004. De aanvraag is ten onrechte afgewezen. Beroep wordt gegrond verklaard.

LJN: BM2247, Rechtbank Amsterdam 300310 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Terugvordering geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal van echtgenote van de zelfstandige. Geen wettelijke grondslag tot terugvordering in Bbz. Artikel 58 WWB is ingevolge artikel 44 Bbz niet van toepassing. Artikel 59 van de WWB geldt alleen voor gezinsbijstand.

LJN BA0168, Centrale Raad van Beroep 060307 Geen omzetting van in vorm geldlening verleende bijstand in bedrag om niet. Eigen vermogen meer dan 30% van totale vermogen. Woning. Levensverzekering.

LJN AN8560, Centrale Raad van Beroep 041103 Aanvraag omzetting van de lening in bijstand om niet. Is het besluit deugdelijk gemotiveerd nu de stukken over het betreffende boekjaar nog niet bekend waren? Moeten varkensrechten en mestproductierechten betrokken worden bij de vaststelling van het vermogen?

Artikel 6, 10, 11, 12 en 44 Bbz
LJN: BL3332, Centrale Raad van Beroep, 260110 Vaststelling nettoinkomen. Het College heeft terecht het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming van appellante in 2005 als uitgangspunt genomen voor de berekening van het nettoinkomen. Dat appellante meer heeft afgelost op een in verband met de goodwill staande schuld aan de vorige eigenaar van het eetcafé dan het bedrag van de uit de jaarstukken 2005 blijkende afschrijving van de boekwaarde van de goodwill, betekent niet dat het meerdere in mindering moet worden gebracht op het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat van de onderneming in 2005. Het gaat hier niet zozeer de vaststelling van het nettoinkomen uit de onderneming van appellante, maar veeleer de besteding van dat inkomen. Het Bbz 2004 en de Wet op de inkomstenbelasting 2001 hanteren niet hetzelfde begrip inkomen.

LJN: BG3450, Rechtbank Arnhem 081008 Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Stakingsverlies is geen (negatief) inkomensbestanddeel.

Artikel 7 Bbz
LJN: BN8194, Rechtbank Arnhem 230910 Afwijzing aanvraag om bijstand ingevolge de Wwb en het Bbz 2004, omdat eiseres over een vermogen beschikte dat niet noodzakelijk was voor de uitoefening van het eigen bedrijf. De rechtbank oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft getoetst aan de bepalingen van het Bbz 2004, aangezien eiseres, gelet op artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbz 2004 dient te worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Een afzonderlijke beoordeling van de aanvraag op grond van de Wwb diende in dit geval achterwege te worden gelaten. Evenwel heeft verweerder in strijd met (de strekking van) artikel 7 van het Bbz 2004 gehandeld, nu het vermogen van eiseres wel voor de uitoefening van haar bedrijf of haar beroep noodzakelijk is. Het vermogen van eiseres staat derhalve niet in de weg aan bijstandverlening op grond van het Bbz 2004. De aanvraag is ten onrechte afgewezen. Beroep wordt gegrond verklaard.

LJN: BC8956, Rechtbank ‘s-Gravenhage 220108 Verstrekte lening krachtens Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen, geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Besluit tot terugvordering van bijstand terecht gehandhaafd. Beroep ongegrond.

LJN: BB7904, Rechtbank Arnhem 081107 Intrekking en terugvordering op grond van de WWB van ten onrechte verstrekte algemene bijstand, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslagen, sociaal culturele bijdragen en een voorbereidingskrediet. Als gevolg van het verzwijgen van bankrekeningen en beleggingsactiviteiten kan het recht op bijstand over een deel van de door verweerder gehanteerde periode niet en over een ander deel van deze periode wel worden vastgesteld. Voor intrekking van het voorbereidingskrediet biedt artikel 54 WWB een grondslag. Een wettelijke grondslag voor terugvordering hiervan is niet aanwezig.

LJN: BB9825, Rechtbank ‘s-Gravenhage 110707 Eiser is van mening recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) te hebben. Deze is met ingang van 1 juli 2003 beëindigd. Vastgesteld is dat verweerder ten onrechte de terugvorderingsbepalingen van de WWB aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Beroep wordt gegrond verklaard, rechtsgevolgen blijven in stand.

Artikel 8 Bbz en artikel 21 Bbz 2004 – Bedrag om niet / rentereductie
LJN AU1489, Centrale Raad van Beroep 090805 Is verzoek om kwijtschelding rente wegens geldlening (Besluit bijstandverlening zelfstandigen) terecht? Heeft betrokkene voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien, zodat hij geen aanspraak heeft op bijstand om niet?

LJN AF7530, Centrale Raad van Beroep 010403

Artikel 10, 11, 12 en 23 Bbz
LJN: BQ4119, Centrale Raad van Beroep, 030511 Terugvordering bijstandsuitkering. Ondeugdelijke boekhouding.

LJN: BM4140, Centrale Raad van Beroep, 110510 Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Geen grond voor het oordeel dat de bepalingen van het Bbz 2004 in de weg staan aan de handelwijze van het College om voor een derde keer gedurende een maximale periode van zes maanden bijstand te verlenen. De voorzieningenrechter acht het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak voor zover die ziet op de verlenging van de termijn van de bijstand met zes maanden vanaf 28 mei 2009 in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het door verzoeker in de procedure gebrachte besluit op bezwaar van het College van 15 april 2010 kan niet worden aangemerkt als de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op het bezwaar. Geen sprake van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep met betrekking tot de maatregel ten gevolge van de schending van de medewerkingsverplichting niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN: BG7209, Rechtbank ‘s-Gravenhage 311008 Algemene bijstand krachtens het Bbz 2004 kan slechts worden afgewezen op de grond dat het bedrijf niet (langer) levensvatbaar is. In dit geval was niet in geschil dat het bedrijf levensvatbaar was. Het samenstel van bepalingen van het Bbz 2004 bood in het onderhavige geval geen grond voor afwijzing van de aanvraag om verlenging van algemene bijstand.

Artikel 14 Bbz – Vormen van bijstandsverlening aan zelfstandigen
LJN: BQ4415, Rechtbank Amsterdam 270411 Terugvordering van een geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen ten gevolge van een bedrijfsbeëindiging.

LJN_BL8957, Centrale Raad van Beroep 290310 Terugvordering voorschot. Appellanten hebben in hun aanvraag (…) om bijstand op grond van het Bbz verzocht een voorschot te verstrekken. Het bedrag van € 1.000,– is hun verstrekt voordat een beslissing op die aanvraag was genomen. Dit rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit bedrag als voorschot is betaald hangende die aanvraag. Het betoog van appellant dat dit bedrag in weerwil van deze vooronderstelling is betaald als algemene bijstand op grond van de WWB moet falen, nu appellant gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat een daarop gerichte aanvraag is gedaan en/of dat die algemene bijstand bij besluit is toegekend.

LJN: BI5994, Centrale Raad van Beroep, 120509 Afwijzing aanvraag bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De Raad stelt vast dat het bedrijfsplan van appellant voorziet in het voortzetten en verder ontwikkelen van activiteiten die tot dan toe door [onderneming] werden ontplooid. Dit brengt mee dat het voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant noodzakelijk was om te beschikken over financiële gegevens van [onderneming], bijvoorbeeld in de vorm van een boekhouding. Vaststaat dat appellant die financiële gegevens in het kader van zijn aanvraag niet heeft verstrekt en evenmin in de loop van de bezwaar- en (hoger).

LJN: AT1599, Rechtbank Almelo 170305 Verzoekers hebben een aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) voor de kosten van levensonderhoud alsmede een bedrijfskrediet ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal ingediend.

Artikel 18 Bbz
LJN: BV0007, Centrale Raad van Beroep, 271211 Verlenging van de uitkeringstermijn tot en met 30 april 2008. Appellant heeft de door hem aangevoerde omstandigheden niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Verder wijst de Raad erop in navolging van zijn uitspraak van 2 maart 2010, LJN BL9030, dat tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waardoor een betrokkene zijn bedrijf niet naar behoren kan voeren en waardoor hij in bijstandsbehoevende omstandigheden komt te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor hij voorzieningen kan treffen.

LJN_BL9030, Centrale Raad van Beroep 260310 Afwijzing verlenging aanvullende BBZ-uitkering. De omstandigheid dat appellante door ziekte en persoonlijke omstandigheden haar bedrijf niet naar behoren kon voeren, waardoor zij in bijstandsbehoevende omstandigheden kwam te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor zij voorzieningen had kunnen treffen.

LJN: BL9030, Centrale Raad van Beroep, 020310 Afwijzing verlenging aanvullende BBZ-uitkering. De omstandigheid dat appellante door ziekte en persoonlijke omstandigheden haar bedrijf niet naar behoren kon voeren, waardoor zij in bijstandsbehoevende omstandigheden kwam te verkeren, behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarvoor zij voorzieningen had kunnen treffen.

LJN: BB9342, Centrale Raad van Beroep, 041207 Weigering toekenning bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Gestelde voorwaarden voor het recht op bijstand.

Artikel 20 Bbz
LJN: BR2511, Centrale Raad van Beroep, 120711 Terugvordering rentedragende geldlening, die medeondertekend is door appellante. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat betrokkene en appellante ten tijde hier van belang voor de verlening van de bijstand als een gezin dienden te worden aangemerkt. Het bedrijfskrediet wordt derhalve geacht aan betrokkene en appellante tezamen, als gezin, te zijn verleend.

LJN: BF4560, Centrale Raad van Beroep, 230908 Terugvordering leenbijstand aangezien verplichtingen niet behoorlijk zijn nagekomen. Beleid. Hoofdelijke aansprakelijkheid.

LJN: BD8559, Centrale Raad van Beroep, 220708 Afwijzing aanvraag bijstand voor zelfstandige. Niet levensvatbaar bedrijf.

LJN: AZ2462, Rechtbank Zwolle 131106 Tekst van artikel 44 van het Bbz 2004 biedt geen wettelijke grondslag voor bewuste terugvordering.

Artikel 21 Bbz
LJN: BQ7571, Centrale Raad van Beroep,  240511 Omzetting leenbijstand bedrijfskapitaal in bijstand om niet; toepasselijk recht Bbz of Bbz 2004?; Vaststelling netto-inkomen zelfstandige; herwaardering voorraad

Artikel 23 Bbz – Duur algemene bijstand beginnende zelfstandige
LJN: BR2707, Centrale Raad van Beroep , 190711 Zelfstandige. Vaststaat dat appellant over een aaneengesloten periode van in totaal 48 maanden bijstand is verleend. De hier voorliggende vraag is of het College de uitkeringstermijn nog verder had moeten verlengen op grond van de door appellant opgeworpen omstandigheid met betrekking tot zijn bedrijfssluiting. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank ontkennend. Er was ten tijde van belang immers geen sprake van een situatie waarin appellant om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar was voor de uitoefening van zijn kapperszaak. De Raad wijst er overigens op dat de kapperszaak ten tijde van de aanvraag al weer ruim een jaar open was.

LJN: BQ4446, Centrale Raad van Beroep, 100511 Afwijzing aanvraag om verlenging bijstand. Geen sprake van een levensvatbaar bedrijf.

LJN: BO8447, Centrale Raad van Beroep, 141211 Tussenuitspraak. 1. Voortzetting bijstandverlening aan zelfstandige: voor een half jaar of voor 12 maanden? 2. Grondslag opleggen maatregel aan zelfstandige: niet artikel 18, tweede lid, van de WWB, maar artikel 14, eerste lid, van de Abw.

LJN_ BM4140, Centrale Raad van Beroep 180510 Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Geen grond voor het oordeel dat de bepalingen van het Bbz 2004 in de weg staan aan de handelwijze van het College om voor een derde keer gedurende een maximale periode van zes maanden bijstand te verlenen. De voorzieningenrechter acht het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak voor zover die ziet op de verlenging van de termijn van de bijstand met zes maanden vanaf 28 mei 2009 in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het door verzoeker in de procedure gebrachte besluit op bezwaar van het College van 15 april 2010 kan niet worden aangemerkt als de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op het bezwaar. Geen sprake van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep met betrekking tot de maatregel ten gevolge van de schending van de medewerkingsverplichting niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN: AZ5973, Centrale Raad van Beroep, 020107 Weigering bijstand aan betrokkene omdat zijn bedrijf niet levensvatbaar is en omdat de maximale termijn van bijstandsverlening was verstreken.

Artikel 25 en 26 Bbz
LJN: BK8151, Centrale Raad van Beroep, 221209 Inhoudsindicatie: 1) Terugvordering van de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 en de daarover verschuldigde rente. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. 2) Afwijzing verzoek om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal om acquisitiewerkzaamheden te bekostigen. Deze afwijzing berust op ondeugdelijke motivering. 3) Terugvordering verleende voorschotten algemene bijstand. Bevoegdheid tot terugvordering staat vast. Geen omstandigheden om af te zien van terugvordering.

LJN_BK8151, Centrale Raad van Beroep 221209 Terugvordering van de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 en de daarover verschuldigde rente. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

LJN: BD8559, Centrale Raad van Beroep, 220708 Afwijzing aanvraag bijstand voor zelfstandige. Niet levensvatbaar bedrijf.

LJN: BB4208, Centrale Raad van Beroep, 180907 Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gesteld, aangezien gevraagde gegevens niet zijn verstrekt.

Artikel 28 Bbz
LJN: BU9798, Rechtbank ‘s-Gravenhage 141211 Aanvraag Bbz voor algemene kosten van het bestaan. Arbeidsongeschikte zelfstandigen (zoals eiser) die na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en niet langer een beroep kunnen doen op de Waz, kunnen geen aanspraak meer maken op bijstand ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004. Voor deze categorie zelfstandigen is in het Bbz evenmin een aparte voorziening getroffen. De mogelijkheid om artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bbz 2004 analoog toe te passen op arbeidsongeschikte zelfstandigen die geen aanspraak meer hebben op de Waz, maar die zich wel particulier tegen arbeidsongeschiktheid hebben verzekerd, ligt niet voor de hand en zou, aldus de rechtbank, met de bedoeling van de wetgever in strijd zijn.

Artikel 29 Bbz
LJN: BU2062, Centrale Raad van Beroep, 181011 Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een voorbereidingskrediet. Geen sprake van noodzakelijke kosten. Bbz 2004 is geen voorliggende voorziening.

LJN: BU1947, Centrale Raad van Beroep, 181011 Afwijzging aanvraag voorbereidingskrediet omdat appellant niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 2 van het Bbz 2004. De Raad is van oordeel dat de weigering van het voorbereidingskrediet op de grond dat appellant geen algemene bijstand ontvangt in de gegeven omstandigheden niet tot effect heeft dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). De Raad neemt daarbij in aanmerking dat (betrokkene) met haar uitkeringen beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant en haarzelf.

LJN: BG3321, Centrale Raad van Beroep, 281008 Aan een persoon die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking kan bijstand worden verstrekt gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden. Voorwaarde voor toekenning voorbereidingskrediet. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Artikel 30 Bbz – Stichtingsvorm
LJN AT9299, Centrale Raad van Beroep 090605 Weigering uitkering op grond van Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Betrokkene is ten onrechte niet aangemerkt als zelfstandige.

Artikel 30 en 47 Bbz – Zelfstandigen in samenwerkingsverband en terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening
LJN_BK1188, Centrale Raad van Beroep 201009 Ontbreken grondslag in Bbz 2004 om mede van een zelfstandige terug te vorderen die zelf niet als subject van de verleende bijstand kan worden aangemerkt.

Artikel 35 Bbz – De aanvraag
LJN_BM1431, Centrale Raad van Beroep 160410 Afwijzing aanvraag om algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004. Appellanten hebben niet aangetoond dat appellant aan het urencriterium van het Bbz voldeed en dat het bedrijf van appellant levensvatbaar was in de zin van artikel 1, onder c, van het Bbz 2004. Er bestaat ook geen aanleiding om te oordelen dat het College de aanvraag van appellanten ten onrechte niet ook als een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB heeft aangemerkt.

LJN_BK8220, Centrale Raad van Beroep 081209 Afwijzing aanvraag bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aangevraagd op grond van het Besluit bijstandverlening. echtbank vernietigt besluit. Ter uitvoering nieuw besluit met wederom afwijzing. Het College heeft in het uitvoeringsbesluit een toereikende en deugdelijke motivering heeft gegeven voor zijn besluit om niet tot verstrekking van een bedrijfskrediet in de vorm van een depot over te gaan. Ook de Raad is van oordeel dat de in het advies van Deloitte besproken mogelijkheid om een bepaalde vorm van bedrijfskrediet te verstrekken eerst aan de orde zou komen in het – zich hier niet voordoende – geval dat is voldaan aan de voorwaarde dat het bedrijf levensvatbaar kan worden geacht. Overschrijding redelijke termijn.

Artikel 38 Bbz
LJN: BO8447, Centrale Raad van Beroep, 141211 Tussenuitspraak. 1. Voortzetting bijstandverlening aan zelfstandige: voor een half jaar of voor 12 maanden? 2. Grondslag opleggen maatregel aan zelfstandige: niet artikel 18, tweede lid, van de WWB, maar artikel 14, eerste lid, van de Abw.

LJN: BQ3376, Centrale Raad van Beroep, 260411 Maatregel: verlaging van bijstand met 20% gedurende één maand. Niet nakomen van aan de verplichting verbonden medewerking te verlenen aan de voor de bedrijfsvoering van appellant noodzakelijke geachte managementbegeleiding. Appellant heeft willens en wetens niet meegewerkt. Geen dringende redenen.

LJN: BP0182, Centrale Raad van Beroep, 281210 Bezwaar door College terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding bezwaartermijn.

LJN_BM1645, Centrale Raad van Beroep 220410 Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten voor het laten opmaken van de boekhouding over 2003 en 2004. In de situatie van appellant is ten aanzien van de kosten van de boekhouder geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

LJN: BK2673, Rechtbank Zutphen, 041109 De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente Zutphen (verweerder) in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om het besluit van 28 oktober 2008 te herzien en toekenning van het bedrijfskrediet aan de eiseres (uitbater horecabedrijf Wijnhuistoren) alsnog te weigeren. Niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de gemeente Zutphen had dienen af te zien van gebruikmaking van deze bevoegdheid. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres zich opnieuw tot verweerder kan wenden met een nieuwe aanvraag voor een bedrijfskrediet. Verweerder zal dan (opnieuw) een onderzoek laten verrichten naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van eiseres op dit moment.

LJN: AZ2462, Rechtbank Zwolle 131106 Tekst van artikel 44 van het Bbz 2004 biedt geen wettelijke grondslag voor bewuste terugvordering.

Artikel 39 en 45 Bbz – Verplichtingen verbonden aan de geldlening en

borgtocht en ten onrechte verleende bijstand
LJN_BL4022, Centrale Raad van Beroep 170210 Intrekking en terugvordering bijstand. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de informatie van de boekhouder, de Belastingdienst en het Handelsregister voldoende grondslag bieden voor de conclusie van de Commissie dat het bedrijf van appellanten vanaf 1 januari 2006 beëindigd was. De rechtbank heeft terecht tot uitgangpunt genomen dat het daarbij gaat om de feitelijke situatie ten tijde in geding. Appellanten hebben ook in hoger beroep geen verifieerbaar tegenbewijs geleverd. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 20 juli 2008 door vrijspraak is ontslagen uit zijn in januari 2007 aangevangen detentie. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de Raad evenwel geen betekenis voor de feitelijke situatie die in dit geding aan de orde is.

LJN: AT1599, Rechtbank Almelo 170305 Verzoekers hebben een aanvraag ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) voor de kosten van levensonderhoud alsmede een bedrijfskrediet ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal ingediend.

Artikel 39, 40, 41, 43, 44, 45 en 47 Bbz – Terugvordering
LJN: BT6836, Centrale Raad van Beroep, 270911 Beëindiging en hervatting bedrijfsactiviteiten. Terugvordering renteloze lening omdat appellant niet bereid was te voldoen aan de verplichting zijn bedrijf uiterlijk op 27 september 2007 en daarna op 31 januari 2008 te beëindigen. Toekenning bijstand. Diverse periodes. Het College kon onder de gegeven omstandigheden de bijstand over de periode van 28 maart 2007 tot en met 27 september 2007 niet meer terugvorderen op de grond dat appellant niet had voldaan aan de verplichting om uiterlijk op 27 september 2007 zijn bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Het College zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 28 september 2007 tot en met 31 januari 2008. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om over deze periode zelf in de zaak te voorzien. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

LJN: BQ4119, Centrale Raad van Beroep, 030511 Terugvordering bijstandsuitkering. Ondeugdelijke boekhouding.

LJN: BQ4415, Rechtbank Amsterdam 270411 Terugvordering van een geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen ten gevolge van een bedrijfsbeëindiging.

LJN: BQ1091, Centrale Raad van Beroep, 250311 Toestemming voor verblijf in buitenland moet minstens vier weken van te voren worden aangevraagd en is een mededeling van informatievie aard. Overschrijding beslistermijn is geen reden voor vernieitiging besluit. Er is geen voorschrift dat het verslag van de hoorzitting door betrokkene voor akkoord moet worden getekend. Aflossingstermijn van vijf jaar is niet onredelijk. Verzoekster kan geen geen rechten ontlenen aan het voorlichtingsmateriaal en de voorlichtingsbijeenkomsten voor beginnende zelfstandigen. Het toegekende bedrag voor bedrijfskapitaal is niet te laag. Het College is gerechtigd van verzoekster te verlangen dat zij maandelijks, net als andere beginnende zelfstandigen, een inkomstenverklaring inlevert. Inhouding vakantietoeslag. Geen sprake van dubbele premie- of belastingafdracht dan wel bijdrage Zorgverzekeringswet. Verzoek om voorlopige voorziening: ontbreken van connexiteit.

LJN: BO0497, Centrale Raad van Beroep, 051010 Terugvordering van aan zelfstandige in de vorm van renteloze lening verleende bijstand voor levensonderhoud wegens niet behoorlijk nakomen van uit de geldlening voortvloeiende inlichtingenverplichting. Als niet specifiek om inlichtingen en gegevens is verzocht kan niet op deze grond worden teruggevorderd. Aan na het primaire besluit verstrekte gegevens komt geen betekenis toe. Terugvordering van bedrijfskrediet kan niet worden gegrond op art. 47 van het Bbz 2004, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang.

LJN: BN5011, Centrale Raad van Beroep, 240810 Terugvordering openstaande leenbijstand en de achterstallige rente in verband met bedrijfskredieten. Het besluit berust niet op een deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Appellant is uitstel van aflossing en betaling van rente verleend en is de maximale periode van uitstel verstreken. De stelling van appellant dat hij geen aflossingsverplichtingen meer heeft aan het College, kan de Raad evenals de rechtbank niet volgen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

LJN: BM2247, Rechtbank Amsterdam 300310 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Terugvordering geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal van echtgenote van de zelfstandige. Geen wettelijke grondslag tot terugvordering in Bbz. Artikel 58 WWB is ingevolge artikel 44 Bbz niet van toepassing. Artikel 59 van de WWB geldt alleen voor gezinsbijstand.

LJN: BK8151, Centrale Raad van Beroep, 221209 Inhoudsindicatie: 1) Terugvordering van de openstaande saldi van de bedrijfskredieten uit 1993 en 1996 en de daarover verschuldigde rente. In hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de precaire situatie waarin zijn bedrijf zich bevindt en de voorgeschiedenis tussen appellant en de gemeente Breda ziet de Raad geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. 2) Afwijzing verzoek om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal om acquisitiewerkzaamheden te bekostigen. Deze afwijzing berust op ondeugdelijke motivering. 3) Terugvordering verleende voorschotten algemene bijstand. Bevoegdheid tot terugvordering staat vast. Geen omstandigheden om af te zien van terugvordering.

LJN: BK1188, Centrale Raad van Beroep, 201009 Ontbreken grondslag in Bbz 2004 om mede van een zelfstandige terug te vorderen die zelf niet als subject van de verleende bijstand kan worden aangemerkt.

LJN: BK0190, Centrale Raad van Beroep, 290909 Terugvordering rentedragende geldlening. Niet nagekomen aflossingsverplichting. Bevoegdheid: De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de grondslag voor de in geding zijnde terug- en invordering is te vinden in de artikelen 40 en volgende van het Bbz 2004. Er is derhalve een uitdrukkelijke bestuursrechtelijke grondslag voorhanden. Daarbij heeft de rechtbank overigens artikel 47 van het Bbz 2004 terecht niet van toepassing geacht. Geen verjaring. De gemeente kon nu eenmaal niet eerder overgaan tot invordering vanwege het langdurig ontbreken van aflossingscapaciteit bij appellant, dat aan appellant een aanzienlijk bedrag is geleend en dat daarop op het moment van het nemen van het besluit van 20 juni 2006 vrijwel niet was afgelost.

LJN: BI3834, Centrale Raad van Beroep, 120509 Terugvordering verstrekte lening inclusief achterstallige rente. Gebonden bevoegdheid. Geen plaats voor toetsing aan evenredigheidsbeginsel of aan de redelijkheid en billijkheid. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Geen sprake van verjaring van de vordering. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

LJN: BI4341, Centrale Raad van Beroep, 040509 Alsnog griffierechtvergoeding en proceskostenveroordeling in beroep. Grondslag terugvordering van de voorschotten: Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB is (wél) voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de (?) voorschotten

LJN: BG6667, Rechtbank Zwolle 081208 Verweerder heeft in zijn toekenningsbesluit van 28 januari 2004 overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 Bbz 2004 opgenomen dat bij een overdracht of beëindiging van het bedrijf, het bedrag van de lening terstond opeisbaar zal zijn. Uit de overdracht van 19 mei 2006 vloeide voort dat op dat moment (het resterende gedeelte van) de schuld zonder ingebrekestelling terstond geheel opeisbaar werd. Verweerder heeft vervolgens het bedrijfskrediet van eisers teruggevorderd en voor deze terugvordering een wettelijke basis gezien in artikel 44 Bbz 2004 in samenhang met artikel 39 Bbz 2004. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende. In het eerste lid van artikel 44 Bbz 2004 wordt enkel tot uitdrukking gebracht dat de terugvordering van aan zelfstandigen verstrekte bijstand dient plaats te vinden volgens de in het Bbz 2004 neergelegde regels. Een zelfstandige grondslag voor terugvordering biedt dit artikellid naar het oordeel van de rechtbank niet. Een wettelijke grondslag voor terugvordering in geval van een bedrijfsoverdracht wordt evenmin geboden in (samenhang met) artikel 39 Bbz. In dit artikel worden immers enkel de aan de geldlening verbonden verplichtingen weergegeven. Het tweede lid onder b bepaalt niet meer dan dat in het toekenningsbesluit dient te worden opgenomen dat het bedrag van de lening terstond opeisbaar is in de in het tweede lid genoemde gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet anders worden geconcludeerd dan dat ook artikel 39 van het Bbz 2004 geen grondslag biedt voor terugvordering van het bedrijfskrediet in geval van overdracht van het bedrijf. Een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 43 Bbz 2004, welk artikel naar het oordeel van de rechtbank een terugvorderingsgrond biedt in geval van een beëindiging van het bedrijf, bestaat voor de situatie dat er sprake is van overdracht niet. Hoewel hier sprake lijkt te zijn van een omissie van de wetgever, is het niet aan de rechtbank om deze leemte te vullen. Nu het bestreden besluit reeds op deze grond zal worden vernietigd, laat de rechtbank de overige gronden ontbesproken.

LJN: BG8586, Centrale Raad van Beroep, 181108 Terugvordering bijstand bedrijfskapitaal.

LJN: BC6350, Centrale Raad van Beroep, 110308 Vordering terugbetaling verstrekte lening in verband met beëindiging eigen bedrijf.

LJN BC6350, Centrale Raad van Beroep 110308 Vordering terugbetaling verstrekte lening in verband met beëindiging eigen bedrijf. Eiser is van mening recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) te hebben. Deze is met ingang van 1 juli 2003 beëindigd. Vastgesteld is dat verweerder ten onrechte de terugvorderingsbepalingen van de WWB aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Beroep wordt gegrond verklaard, rechtsgevolgen blijven in stand.

LJN: BC8956, Rechtbank ‘s-Gravenhage 220108 Verstrekte lening krachtens Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen, geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Besluit tot terugvordering van bijstand terecht gehandhaafd. Beroep ongegrond.

LJN: BB7904, Rechtbank Arnhem 081107 Intrekking en terugvordering op grond van de WWB van ten onrechte verstrekte algemene bijstand, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslagen, sociaal culturele bijdragen en een voorbereidingskrediet. Als gevolg van het verzwijgen van bankrekeningen en beleggingsactiviteiten kan het recht op bijstand over een deel van de door verweerder gehanteerde periode niet en over een ander deel van deze periode wel worden vastgesteld. Voor intrekking van het voorbereidingskrediet biedt artikel 54 WWB een grondslag. Een wettelijke grondslag voor terugvordering hiervan is niet aanwezig.

LJN: BB9825, Rechtbank ‘s-Gravenhage 110707 Eiser is van mening recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) te hebben. Deze is met ingang van 1 juli 2003 beëindigd. Vastgesteld is dat verweerder ten onrechte de terugvorderingsbepalingen van de WWB aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Beroep wordt gegrond verklaard, rechtsgevolgen blijven in stand.

LJN AZ9854, Rechtbank Almelo 010307 Tussen partijen is in geschil of verweerder de aan eiseres en [overleden partner] verstrekte uitkering op grond van het Bbz 2004 op goede gronden ineens en terstond heeft teruggevorderd.

LJN: AZ2462, Rechtbank Zwolle 131106 Tekst van artikel 44 van het Bbz 2004 biedt geen wettelijke grondslag voor bewuste terugvordering.

LJN: AT8017, Rechtbank Maastricht 190505 In overeenstemming met voormeld ambtelijk advies heeft verweerder vervolgens bij het primaire besluit van 3 juni 2004 besloten om op grond van artikel 47 van het op 1 januari 2004 in werking getreden Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 van 10 oktober 2003, Stb. 390 een bedrag van € 70.997,93 van eiser terug te vorderen, op de grond dat hij niet (meer) correct aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

LJN: AT6001, Rechtbank Maastricht 190505 De rechtbank staat in dit geding voor de beoordeling van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft beslist tot terugvordering van de in de vorm van een rentedragende geldlening aan eiser verstrekte bijstand.

Artikel 50 Bbz
LJN: BV1915, Rechtbank Breda 250112 De rechtbank overweegt ambtshalve dat verweerder de bezwaren van eisers ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die bezwaren zijn immers – anders dan verweerder blijkbaar veronderstelt – alleen gericht tegen de verleningsbeschikkingen en de voorschotbeschikkingen, en niet ook tegen de wet van 4 februari 2010 [Stb. 2010, 78; red.]. De kritiek op die wet kan namelijk slechts worden aangemerkt als een argument ter onderbouwing van het betoog dat de verlenings- en voorschotbeschikkingen onrechtmatig zijn. De begrotingswet is een wet als bedoeld in artikel 120 van de Grondwet. In verband hiermee mag de rechtbank de begrotingswet niet toetsen aan algemeen verbindende voorschriften en evenmin aan algemene rechtsbeginselen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in het eerste en tweede lid van artikel 9 van het Handvest neergelegde normen niet zodanig gepreciseerd, dat deze kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Verder wijst de rechtbank op hetgeen in de toelichtende nota van 7 juni 1988 (Handelingen II 1987-1988, 20 586, nummer 1, bladzijde 7) over artikel 9 van het Handvest is opgemerkt. Daaruit kan worden afgeleid dat het eerste lid alleen ziet op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en niet ook op specifieke uitkeringen ter uitvoering van medebewindstaken zoals verlening van bijstandsuitkeringen. Verder is uitdrukkelijk gesteld dat specifieke uitkeringen aan gemeentebesturen niet per definitie kostendekkend hoeven te zijn, onder verwijzing naar de manier waarop het Rijk kosten voor bijstandsverlening aan gemeentebesturen vergoedt.

Artikel 54, 55 en 58 Bbz
LJN: BU2126, Centrale Raad van Beroep, 160811 De Staatssecretaris heeft terecht bij de vaststelling van de ten laste van appellant gebleven kosten op grond van art. 54, lid 1, Bbz 2004 een bedrag van € 61.464,– (betrekking hebbend op financiële fouten en onzekerheden) met toepassing van artikel 55, lid 1, buiten aanmerking gelaten en, gelet op art. 48, lid 1, € 46.098,– (75% van € 61.464,–) in verband met verleende voorschotten van appellant teruggevorderd. De jaarlijkse beoordeling van de gemeentelijke financiële verantwoordingen over een vergoedingsjaar en de daarbij gehanteerde kasstelselsystematiek, inhoudend dat de rechtmatigheid van de bestedingen in het jaar van betaling moet worden aangetoond, vereisen dat de Staatssecretaris tijdig beschikt over alle relevante gegevens. Indien een college van opvatting is dat het zich ten aanzien van de door de accountant vastgestelde tekortkomingen voldoende heeft ingespannen om die op te heffen, ligt het op de weg van het college om dit aannemelijk te maken. Het is niet kennelijk onredelijk om van het college te vergen dat hij daartoe als onderdeel van de bijlage bij de jaarrekening, althans uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar, een gemotiveerd verzoek als bedoeld in art. 3, lid 1, Beleidsregels indient. Appellant heeft geen verzoek ingediend, omdat hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij binnen de gehanteerde foutmarges was gebleven en geen terugvordering zou volgen. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Geen sprake van disproportionaliteit.

LJN: BH2460, Rechtbank Alkmaar 090109 Ambtshalve nihilstelling van de in 2005 ten laste van de gemeente Medemblik gebleven kosten van de uitvoering van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 en terugvordering van de over 2005 betaalde voorschotten. Verweerder is voortijdig tot ambtshalve vaststelling overgegaan. Hij had eerst de verleende voorschotten over 2005 moeten terugvorderen, waarna de gemeente alsnog drie maanden de tijd zou hebben gehad om de vodu’s 2005 in te dienen. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit. Het staat verweerder niet vrij de ambtshalve vaststelling op nihil te handhaven. Herstel van de geconstateerde gebreken in de handhavingsketen is immers niet meer mogelijk. Om tot een finale beslechting van het geschil te komen en nu rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, heeft de rechtbank de primaire besluiten herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar.

Back To Top